Auteurs: Lisanne Bakker & Britt Voortman


0. Praktische informatie voor taalonderzoek


Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer
Het Engels verschilt in enkele opzichten van het Nederlands. Hierdoor kunnen er problemen ontstaan in de fonologie, morfologie en syntaxis in de Nederlandse taal als gevolg van transfer. Als deze problemen in het Nederlands worden geconstateerd, hoeft dit dus geenszins op een taalontwikkelingsstoornis te duiden, maar is dit een mogelijk gevolg van fouten veroorzaakt door transfer.

Fonologie
Uitspraak
Nederlandse klinkers die niet in het Engels voorkomen zijn de aa [a:], uu [y] en de tweeklanken ui [ɶy] en eu [ø]. Er zijn ook een aantal Nederlandse klanken die niet in het Engels voorkomen, zoals de consonanten g [x] en r [r]. Met deze klanken zouden Engelssprekende kinderen moeite kunnen hebben in het Nederlands.

Syllabestructuur
De structuur van de syllabe komt overeen met het Nederlands. Echter, de consonantclusters die mogelijk zijn aan het begin of het einde van een syllabe verschillen in beide talen. Zo is in het Nederlands de /kn/-combinatie mogelijk en in het Engels niet.

Morfologie
Lidwoorden
Het Engels kent alleen het bepaalde lidwoord the, terwijl in het Nederlands onderscheid wordt gemaakt tussen de- en het-woorden. Het is dus te verwachten dat ook Engelssprekende kinderen hier moeite mee zullen hebben en bijvoorbeeld het lidwoord ‘de’ zullen overgeneraliseren. Wat betreft onbepaalde lidwoorden kennen beide talen maar één variant. Hier worden dus geen fouten in verwacht.

Werkwoorden
In het Engels zijn bijna alle werkwoordsvormen gelijk aan het infinitief, behalve de derde persoon enkelvoud. In de verleden tijd wordt ook geen onderscheid gemaakt tussen enkelvoud en meervoud. Het Nederlands kent veel meer vervoegingen.

Bijvoeglijke naamwoorden
Het bijvoeglijk naamwoord wordt in het Nederlands gevormd door het suffix –e toe te voegen aan een zelfstandig naamwoord, zoals bij: het grote paard. Alleen aan onzijdige zelfstandige naamwoorden in een onbepaalde context wordt geen –e toegevoegd, zoals bij: een groot paard. In het Engels komt er geen suffix achter het bijvoeglijk naamwoord, a big horse. Aan de hand hiervan zou je kunnen verwachten dat een Engelssprekend kind de –e in het Nederlands weg zou kunnen laten.

Verkleinwoorden
Het verkleinsuffix, zoals dat gebruikt wordt in het woord hondje, is onbekend voor Engelse moedertaalsprekers. Ook hierin kunnen fouten in het Nederlands worden verwacht.

Syntaxis
Het Engels en het Nederlands hebben dezelfde syntactische structuur in hoofdzinnen, namelijk een SVO-structuur: subject, verb, object. De syntactische structuur van bijzinnen verschilt. In bijzinnen heeft het Engels ook een SVO-structuur, maar het Nederlands heeft een SOV-structuur.

Pragmatiek
In het Engels wordt geen onderscheid gemaakt tussen jij en u. Engelssprekende kinderen moeten daarom in het Nederlands dit verschil leren.

Vragenlijst in relatie tot problemen in het Nederlands.
Wanneer hier vaak 'ja' op wordt geantwoord, is er mogelijk sprake van negatieve transfer vanuit het Engels.

Fonologie
  • Heeft het kind moeite met de juiste productie van de Nederlandse klinkers aa [a:], uu [y] en/of de tweeklanken ui [ɶy] en eu [ø]?
  • Heeft het kind moeite met de juiste productie van de Nederlandse consonanten g [x] en r [r]?

Morfologie
  • Maakt het kind veel lidwoordfouten?
  • Heeft het kind moeite met verkleinwoorden?
  • Heeft het kind moeite met het vervoegen van werkwoorden in de eerste, tweede en derde persoon enkelvoud?

Syntaxis
  • Gebruikt het kind in bijzinnen een onjuiste woordvolgorde?

Pragmatiek
  • Heeft het kind moeite om op een correcte 'beleefde' te communiceren?

Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementen in het Engels
Om u behulpzaam te zijn bij het onderscheiden van geproduceerde fouten in het Nederlands naar mogelijke oorzaak, is onderstaande vragenlijst per talig kenmerk (fonologie, morfologie, syntaxis en pragmatiek) opgesteld. Voorzichtigheid bij de analyse van taalproducties aan de hand van deze vragenlijsten is geboden; de vragen vormen slechts een leidraad om NT2-fouten globaal van TOS-fouten te onderscheiden. De verkregen informatie dient als eerste indicatie voor de aanwezigheid van een taalontwikkelingsstoornis.

Vragenlijst in relatie tot problemen in het Engels.
Wanneer hier vaak 'ja' op wordt geantwoord, is er mogelijk sprake van een TOS.
Aan de hand van wat er tot nu toe bekend is over TOS in het Engels kunnen de volgende vragen gesteld worden aan de ouders van een Engelssprekend kind:

Morfologie
  • Laat het kind vaak lidwoorden weg?
  • Heeft het kind moeite met het meervoudsmorfeem -s of -en bij zelfstandig naamwoorden?
  • Heeft het kind moeite met het derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijdsmorfeem -s en het verleden tijdsmorfeem -ed bij werkwoorden?
  • Heeft het kind moeite met het correct vormen van zinnen die beginnen met een vraagwoord?


1. Algemene informatie over het Engels


Het Engels behoort tot de Indo-Europese West-Germaanse talen en is verwant aan onder andere het Duits en het Nederlands. Het heeft na het Mandarijn-Chinees en het Spaans de meeste moedertaalsprekers. Het Engels wordt wereldwijd door ongeveer 335 miljoen mensen als moedertaal gesproken, onder andere in Groot-Brittannië, Ierland, de Verenigde Staten, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland. Verder is het een officiële taal in ongeveer 55 landen waaronder Barbados, Belize, Fiji, India, Pakistan, Malta, de Filipijnen, Singapore en vele Afrikaanse landen waaronder Kameroen, Ghana, Kenia, Namibië, Zuid-Afrika, Oeganda en Zimbabwe. Ongeveer 430 miljoen mensen spreken Engels als tweede taal en het wordt wereldwijd in meer dan 100 verschillende landen gesproken, zie Figuur 1. Er zijn vele dialecten, zoals het Schots-Engels, Iers-Engels en het Australisch Engels. Ook zijn er regionale dialecten binnen landen zoals het Cockney, Geordie en South Wales in Groot-Brittannië.

external image 940px-Anglospeak.svg.png
Figuur 1. Kaart met landen waar het Engels een officiële of meerderheidstaal is (donkerblauw), of een officiële maar minderheidstaal (lichtblauw, inclusief landen waar zich op Engels gebaseerde creolen de dominante taal zijn).


2. Specifieke informatie over het Engels


Fonologie
Engelse consonanten die niet in het Nederlands voorkomen zijn de ‘th’-klanken zoals in thigh [ө] en thy [ð]. Ook kent het Engels aspiratie aan het begin van woorden, zoals in de woorden cup [khɑp] en tail [theıl], wat in het Nederlands niet voorkomt. Er zijn ook een aantal Nederlandse klanken die niet in het Engels voorkomen, zoals de consonanten g [x] en r [r]. Het Engels heeft in totaal elf vocalen en het Nederlands dertien.

De CV-structuur (consonant/vocaal) van het Engels en het Nederlands lijken erg op elkaar. De nucleus (kern) van een syllabe is in beide talen een vocaal. Voor de nucleus kunnen nul tot drie consonanten komen en na de nucleus kunnen nul tot vier consonanten komen. Dit wordt geïllustreerd in Tabel 1 en Tabel 2.

Tabel 1. Nederlandse CV-structuur (Collins & Mees, 2003).
Voorbeeld
CV-structuur
ei
V
rij
C V
eis
V C
reis
C V C
krijs
CC V C
reist
C V CC
krijst
CC V CC
spring
CCC V CC
markt
C V CCC
herfst
C V CCCC

Tabel 2. Engelse CV-structuur (Collins & Mees, 2003).
Voorbeeld
CV-structuur
I
V
my
C V
ice
V C
nice
C V C
spy
CC V
spice
CC V C
spiced
CC V CC
spliced
CCC V CC
fifths
C V CCC
sixths
C V CCCC

De consonantclusters die mogelijk zijn aan het begin of het einde van een syllabe verschillen wel in het Nederlands en het Engels. In het Nederlands is bijvoorbeeld de combinatie kn mogelijk aan het begin van een syllabe, zoals in het woord knie: in het Engels niet. In het Engels is de klankcombinatie [hj] mogelijk aan het begin van een syllabe, zoals in het woord huge: dit is weer niet mogelijk in het Nederlands. In het Engels zijn er veel consonantclusters die voorkomen aan het einde van een syllabe maar die in het Nederlands niet mogelijk zijn, zoals [dz], [bz], [gz], [vz] en [ndz] in de woorden roads, robes, rogues, saves en bands (Collins & Mees, 2003).

Morfologie
Lidwoorden
Het Engels kent slechts één bepaald lidwoord, the, terwijl in het Nederlands onderscheid wordt gemaakt in zijdige lidwoorden (de) en onzijdige lidwoorden (het). Een Engelssprekend kind dat Nederlands leert moet leren onderscheid te maken tussen deze twee lidwoorden. Het is bekend dat tweedetaalleerders van het Nederlands moeite hebben om het lidwoord correct te verwerven. Het is dus te verwachten dat ook Engelssprekende kinderen hier moeite mee zullen hebben en bijvoorbeeld het lidwoord ‘de’ zullen overgeneraliseren. Zowel het Engels als het Nederlands heeft één onbepaald lidwoord. Hierin kunnen dus niet veel problemen verwacht worden.

Meervoud van naamwoorden
Het Engels heeft een schrijfvorm voor het meervoud van zelfstandige naamwoorden: -(e)s, maar deze heeft verschillende uitspraakvarianten. Bij zelfstandige naamwoorden die eindigen op de klanken [s], [z], [ʃ], [ʒ], [ʧ] en [ʤ] klinkt het meervoudsmorfeem als [ɪz], zoals bij de woorden buses, roses, bushes, garages, beaches en judges. Bij zelfstandige naamwoorden die eindigen met een stemloze klank klinkt het meervoudsmorfeem als een [s], zoals in de woorden cats en books. Bij zelfstandige naamwoorden die eindigen met een stemhebbende klank klinkt het meervoudsmorfeem als een [z], zoals in de woorden pigs en rooms.

Werkwoorden
In het Engels zijn bijna alle werkwoordsvervoegingen van regelmatige werkwoorden in de tegenwoordige tijd hetzelfde als het infinitief, behalve bij het derde persoon enkelvoud. Zie het volgende voorbeeld in Tabel 3 van de vervoeging van het werkwoord lopen. In het Nederlands hebben alleen de vervoegingen in het meervoud dezelfde vorm als het infinitief. Er kan hierdoor verwacht worden dat Engelssprekende kinderen die Nederlands leren moeite hebben met de verwerving van werkwoordsvervoeging.

Tabel 3. Werkwoordsvervoegingen in het Engels en Nederlands.
Engels
Nederlands
I
walk
ik
loop
you
walk
jij
loopt
he/she/it
walks
hij/zij/het
loopt
we
walk
wij
lopen
you
walk
jullie
lopen
they
walk
zij
lopen

In het Engels wordt er ook bij de werkwoordsvervoeging in de verleden tijd geen onderscheid gemaakt tussen enkelvoud of meervoud, in het Nederlands wel. De verleden tijd van regelmatige werkwoorden wordt gevormd door het suffix –ed en in het Nederlands door de suffixen –te, –ten, -de of –den. Ook dit kan lastig zijn.

Bijvoeglijke naamwoorden
Het bijvoeglijk naamwoord wordt in het Nederlands gevormd door het suffix –e toe te voegen aan een zelfstandig naamwoord, zoals bij: een rode auto, de grote boot, het grote paard. Alleen aan onzijdige zelfstandige naamwoorden in een onbepaalde context wordt geen –e toegevoegd, zoals bij: een groot paard. In het Engels komt er geen suffix achter het bijvoeglijk naamwoord, zoals bij: a big horse. Aan de hand hiervan zou je kunnen verwachten dat een Engelssprekend kind de –e in het Nederlands weg zou kunnen laten.

Verkleinwoorden
Verkleinwoorden worden in het Nederlands gevormd door -je, -tje, -pje, -kje en -etje achter het zelfstandig naamwoord te plaatsen, maar in het Engels gebeurt dit lexicaal door little voor het zelfstandig naamwoord te plaatsen. Hierdoor kan het voor Engelssprekende kinderen moeilijk zijn om de verschillende verkleinsuffixen te verwerven en zullen ze waarschijnlijk vaker ‘kleine hond’ zeggen dan ‘hondje’.

Vergrotende en overtreffende trap
Er is niet veel verschil in de vergrotende en overtreffende trap tussen het Nederlands en het Engels. De vergrotende trap wordt in beide talen gevormd door –er achter het bijvoeglijk naamwoord te zetten, zoals bij groter en bigger. De overtreffende trap wordt in beide talen gevormd aan de hand van een suffix. In het Engels gebeurt dit met het suffix –est, zoals bij biggest en in het Nederlands met het suffix –ste, zoals bij grootste. Aan de hand hiervan is het te verwachten dat hier niet veel fouten in gemaakt zullen worden.

Syntaxis
Het Engels en het Nederlands hebben dezelfde syntactische structuur in hoofdzinnen, namelijk een SVO-structuur: subject, verb, object. Het onderwerp staat vooraan in de zin, gevolgd door het werkwoord en ten slotte het lijdend voorwerp. Een voorbeeld hiervan is te zien in Tabel 4.

Tabel 4. Voorbeelden van SVO-structuur in het Engels en Nederlands.
Taal
Voorbeeld
Engels
John buys a book.
Nederlands
Jan koopt een boek.

In bijzinnen heeft het Engels ook een SVO-structuur, maar het Nederlands heeft een SOV-structuur. Zie Tabel 5.

Tabel 5. Voorbeelden van syntactische structuren in bijzinnen.
Engels
Nederlands
John saw that he bought a book.
Jan zag dat hij een boek kocht.
.......................S...V.........O.........
...................S...O.............V.......

In bijzinnen in het Nederlands komt het werkwoord altijd aan het einde van de zin, terwijl in het Engels het werkwoord altijd direct na het onderwerp komt. Je zou aan de hand hiervan fouten kunnen verwachten als: Jan ziet dat hij kocht een boek. Een ander verschil is dat in het Engels alle werkwoorden bij elkaar staan en in het Nederlands niet. In het Engels zeg je bijvoorbeeld: The postcard was mailed yesterday. In het Nederlands zeg je: De brief is gisteren gepost. Dit zou lastig kunnen zijn voor Engelssprekende kinderen en je zou transfer kunnen verwachten vanuit het Engels waardoor een kind bijvoorbeeld zegt: De brief is gepost gisteren.

Pragmatiek
In het Engels wordt geen onderscheid gemaakt tussen jij en u. Engelssprekende kinderen moeten daarom in het Nederlands dit verschil leren. Ze moeten leren tegen wie je u zegt en tegen wie je jij zegt. Verder lijken er geen grote verschillen te zijn in pragmatiek.


3. Verwervingsvolgorde in het Engels


Fonologie
De verwerving van fonologie in het Engels is te vergelijken met die van Nederlandse kinderen. Rond driejarige leeftijd zijn de meeste klanken verworven. Er zijn een aantal klanken die moeilijker zijn om te verwerven. Dit zijn vooral de fricatieven en affricaten, zoals de [ʃ], [ʒ], [ʧ] en [ʤ]. De klanken [ө] en [ð] (die in het Nederlands niet voorkomen) zijn voor Engelssprekende kinderen lastiger te verwerven. Het kan nog tot zevenjarige leeftijd duren voordat deze klanken correct worden uitgesproken. In Tabel 6 staat een overzicht van de verwerving van de verschillende fonemen.

Tabel 6. Fonetische verwerving voor 90% van de Engelse kinderen (Dodd, Holm, Hua & Crosbie, 2003).
Verwervingsvolgorde fonologie.jpg

Morfologie
Brown (1973) heeft onderzoek gedaan naar de verwervingsvolgorde van veertien grammaticale morfemen bij Engelssprekende kinderen. In Tabel 7 is een overzicht te vinden van de verwervingsvolgorde. Er wordt aangenomen dat een morfeem verworven is als het in 90% van de gevallen correct wordt gebruikt.

Tabel 7. Verwervingsvolgorde van veertien grammaticale morfemen bij Engelssprekende kinderen (Brown, 1973).
Morfeem
Voorbeeld
Leeftijd van verwerving
1. Present progressive -ing
He’s sitting down
1;7-2;4
2. In
It’s in the box
2;3-2;6
3. On
It’s on the chair
2;3-2;9
4. Meervoudsmorfeem -s
The girls walk
2;3-2;9
5. Onregelmatige verleden tijd
The boy fell
2;1-3;10
6. Possessive -‘s
Daddy’s car
2;2-3;4
7. Uncontractible copula (was, are, is)
Are they boys?
2;4-3;10
8. Lidwoorden (a, the)
That’s a dog
2;4-3;10
9. Regelmatig verledentijdsmorfeem -ed
She walked to school
2;2-4;0
10. Regelmatig derde persoon enkelvoudsmorfeem -s
He runs fast
2;4-4;2
11. Onregelmatige derde persoon enkelvoud (has, does)
Does that dog bark?
2;4-4;2
12. Uncontractible auxiliary verb (is, were)
Is he coming?
2;5-4;0
13. Contractible copula verb
That’s a dog
2;5-4;1
14. Contractible auxiliary verb
They’re running fast
2;6-4;2

Syntaxis
Rond eenjarige leeftijd beginnen kinderen met hun eerste woordjes. Tussen 1;3 en 1;8 jaar beginnen kinderen met het combineren van woorden tot langere uitingen. Hiermee wordt hun gemiddelde uitingslengte steeds langer. In Tabel 8 is een overzicht te vinden van de groei van de mean length of utterance (MLU).

Tabel 8. Overzicht van de groei van MLU (bron: http://www.speechtherapyct.com/whats_new/Early%20Morphological%20Development.pdf).
Leeftijd
MLU (in morfemen)
1;0-2;2
1.0-2.0
2;3-2;6
2.0-2.5
2;7-2;10
2.5-3.0
2;11-3;4
3.0-3.75
3;5-3;10
3.75-4.5
3:11+
4.5+


4. Onderzoek naar taalontwikkelingsstoornissen in het Engels


Kinderen met een TOS laten vaak omissie zien van verplichte grammaticale morfemen. In het Engels is hier veel onderzoek naar gedaan. Hieronder volgt een opsomming van kenmerken die vaak voorkomen bij kinderen met een TOS. Deze voorbeelden komen uit Clahsen e.a. (1997), Gopnik (1990), Gopnik e.a. (1991), Lely e.a. (2003) en Wexler e.a. (1998).

Het meervoudsmorfeem –s bij naamwoorden wordt vaak weggelaten, zoals in: They put present under the Christmas trees. Het komt ook voor dat het meervoudsmorfeem –s wordt gebruikt terwijl de context een zelfstandig naamwoord in het enkelvoud vereist, zoals in: You got a tape recorders.

Er worden bij persoonlijk voornaamwoorden fouten gemaakt in getal. Deze worden verkeerd gebruikt in enkelvouds- en meervoudscontext. Een voorbeeld hiervan is dat de persoonlijk voornaamwoorden ‘he’ en ‘they’ worden gebruikt om naar dezelfde persoon te verwijzen, zoals in: Jimmy starting eat his breakfast. He don't like it. Now they drop the bowl on the floor. Ook kan ‘he’ worden gebruikt om naar meerdere personen te verwijzen, zoals in: The king and the queen they look at the tree and say, "Who did that?" He don't know so he look at the other side of the tree. In plaats van vrouwelijke persoonlijk voornaamwoorden worden vaak mannelijke persoonlijk voornaamwoorden geproduceerd, of worden eigennamen gebruikt. Een voorbeeld hiervan is: The Red Riding Hood arrive at his grandma's house. Ook vindt er omissie plaats van persoonlijk voornaamwoorden, zoals in: When they play get points. In contexten waar een nominatief persoonlijk voornaamwoord vereist is (he, she), wordt door kinderen met een TOS vaak een non-nominatief persoonlijk voornaamwoord gebruikt (him, his, her). Voorbeelden hiervan zijn:
  • Him stand on chairs.
  • Her watching TV.

Er vindt vaak omissie plaats van lidwoorden en ook worden lidwoorden gebruikt bij eigennamen, zoals bij: The Marie-Louise look at the bird. Ook vindt er vaak omissie plaats van het derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijdsmorfeem –s bij werkwoorden. Een voorbeeld hiervan is: He look at the other side of the tree. Er worden daarnaast fouten gemaakt in agreement bij (hulp)werkwoorden. Voorbeelden hiervan zijn:
  • They was
  • He don’t know
  • She do

Er vindt vaak omissie plaats van het regelmatige verledentijdsmorfeem –ed. De verleden tijd wordt in plaats van met het morfeem –ed vaak lexicaal aangeduid, zoals in: Last time we arrive. Er kunnen ook fouten in aspect verwacht worden. Dit wordt in het Engels aangegeven met be + werkwoord + ing. Bij kinderen met een TOS worden drie verschillende vormen door elkaar gebruikt:
  • This one is look. (be + V)
  • The dragon drying hisself. (V + ing)
  • The witch is coming. (be + V + ing)

Kinderen met een TOS hebben moeite met zinnen met syntactische verplaatsing en hierdoor met het vormen van vraagzinnen. Hierin wordt het hulpwerkwoord vaak niet vooraan de zin geplaatst. Een voorbeeld hiervan is: What Mrs. Brown place in the library? In plaats van: What did Mrs. Brown place in the library? Een ander voorbeeld is: Which one did Mrs. White wore a hat? In plaats van: Which hat did Mrs. White wear? In deze zin blijft de oorspronkelijke zin Mrs. White wore a hat behouden en wordt alleen een vraagwoord vooraan de zin geplaatst.


5. Literatuurverwijzingen


  • Brown, R. (1973). A first language: The early stages. Cambridge, MA: Harvard University Press.
  • Clahsen, H., Bartke, S., & Göllner, S. (1997). Formal features in impaired grammars: A comparison of English and German SLI children. Journal of Neurolinguistics, 10, 151-171.
  • Clark, E.V. (2009). First language acquisition: Second edition. Cambridge, MA: Cambridge University Press.
  • Collins, B., & Mees, I. M. (2003). The phonetics of English and Dutch: Fifth revised edition. Boston, MA: Brill.
  • Delahunty, G.P., & Garvey, J.J. (2010). The English language: From sound to sense. Fort Collins, CO: The WAC Clearinghouse and Parlor Press.
  • Dodd, B., Holm, A., Hua, Z., & Crosbie, S. (2003). Phonological development: A normative study of British English-speaking children. Clinical Linguistics and Phonetics, 17(8), 617–643.
  • Gopnik, M. (1990). Feature blindness: A case study. Language Acquisition, 1, 139-164.
  • Gopnik, M., & Crago, M. B. (1991). Familial aggregation of a developmental disorder. Cognition, 39, 1-50.
  • Lely, H. K. J. van der, & Battell, J. (2003). Wh-movement in children with grammatical SLI: A test of the RDDR hypothesis. Language, 79, 153-181.
  • Wexler, K., Schütze, C., & Rice, M. (1998). Subject case in children with SLI and unaffected controls: Evidence for the Agr/Tns Omission Model. Language Acquisition, 7, 317-344.

Websites