Auteurs van deze pagina: Aaron Bakker en Jessica Leijten

0. Praktische informatie voor taalonderzoek
1. Algemene informatie over het Duits
2. Specifieke informatie over het Duits
3. Verwervingsfases
4. Onderzoek naar taalstoornissen in het Duits
5. Slotopmerkingen en literatuurverwijzingen

0. Praktische informatie voor taalonderzoek


Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer
Het Duits en het Nederlands zijn sterk verwante talen met veel overeenkomsten. Juist door die overeenkomsten ligt het voor de hand dat moedertaalsprekers van het Duits hun talige kennis zullen transfereren naar het Nederlands. Vaak zal dit goed gaan (positieve transfer) en soms niet (negatieve transfer). Het hoeft dus in ieder geval geen teken van een TOS te zijn als onderstaande fouten worden gemaakt door tweetalige Duits-Nederlandstalige kinderen.

Fonologie
De CV- structuren van het Duits en het Nederlands lijken in principe veel op elkaar. Maar voor Duitse kinderen met Nederlands als tweede taal zouden de volgende klanken problemen kunnen veroorzaken omdat deze niet voorkomen in het Duits.

- De [œj] als in ‘huis’
- De [e:w] als in ‘leeuw
- De hardere [ɣ] als in ‘gat’ en ‘lach
- De combinatie [sx] als in ‘schoen’

Morfologie
Met name het verschil tussen de synthetische opbouw van het Duits en de analytische opbouw van het Nederlands zou kunnen leiden tot taalfouten van tweetalige kinderen beiderzijds, vooral omdat deze vormen zo saillant zijn in het Duits. Als een synthetisch opgebouwde Nederlandse zin wordt geproduceerd, zal dit archaïsch klinken, bijvoorbeeld: “Dat is de hond onzer buren”.

Syntaxis
De woordvolgorde in het Duits en Nederlands komen grotendeels overeen. Het grootste verschil in de syntaxis is het naamvalssysteem, maar aangezien dit systeem complexer is in het Duits zal dit voor het Nederlands geen grote problemen veroorzaken.

Pragmatiek
In het Duits bestaat een aparte werkwoordsvorm voor ‘u’, daarom zou gebruik van met ‘u’ misschien verkeerd worden gebruikt of worden vermeden in het Nederlands.
Daarnaast wordt in het Duits vaak de aanvoegende wijs (Konjunktiv II) gebruikt om iets beleefd of sympathiek te zeggen. Hier zijn verschillende manieren en vormen voor in het Duits waardoor het mogelijk is dat een kind in het Nederlands vormen probeert te maken die niet bestaan, bijvoorbeeld naar analogie van vorming van Konjunktiv II.
Het Nederlandse “gaan + infinitief” in overdrachtelijke zin wordt in het Duits met “zullen of willen + infinitief“ aangeduid. Voorbeeld van een fout: “We zullen fietsen” in plaats van “We gaan fietsen”.
Ten slotte wordt in het Duits veel minder gebruik gemaakt van verkleinwoorden waardoor hier problemen in kunnen voorkomen bij kinderen met Duits als moedertaal.

Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementen
  • Zet het kind de werkwoorden op de goede plaats?
  • Heeft het kind moeite met de juiste persoon (ik, jij, hij/zij etc.) aan de juiste werkwoordsvorm te koppelen?
  • Heeft het kind problemen met enkelvoud- en meervoudsvormen?

top

1. Algemene informatie over het Duits


Het Hoogduits behoort tot de Indo-Europese, West-Germaanse taalfamilie. De taal wordt, met grote regionale verschillen, als officiële taal gesproken in Duitsland, Oostenrijk en Liechtenstein. Daarnaast is het één van de officiële talen in delen van Zwitserland, Italië (Zuid-Tirol), België (Oost-België), Luxemburg en Denemarken (Zuid-Jutland) (Kessel e.a., 2008, p.145). Er zijn in totaal ongeveer 105 miljoen moedertaalsprekers van het Duits.Verder wordt het Duits als inofficiële taal gesproken door minderheden in Namibië, landen van het voormalig Oostblok, in het Aziatische deel van Rusland (de Wolgaduitsers) en in delen van Frankrijk, Zuid- en Noord-Amerika en Canada. De reden voor deze weidse verspreiding is historisch bepaald door kolonisatie, oorlogen en migratie.
Traditioneel wordt de Duitse standaardtaal maar door weinig mensen in het dagelijks leven gesproken. In bepaalde delen van Duitsland is er in nagenoeg elke dorp een net iets ander dialect. Over het algemeen worden de dialecten onderverdeeld in drie grote groepen: de Ober-, Mittel- en Niederdeutsche dialecten. Elk is weer onderverdeeld in een grote verzameling specifieke dialecten. Voor een gedetailleerd overzicht: zie de literatuurverwijzingen.

Het Duits wordt, net als het Nederlands met het Latijnse schrift geschreven, met 4 toevoegingen: Ü/ü, Ä/ä, Ö/ö en ß. Het verschil tussen de gesproken en geschreven taal ligt daarin dat er geen aparte schrijftaal is voor de dialecten. Aangezien er maar weinig mensen Hoogduits spreken in de alledag, zal bijvoorbeeld het transcriberen van gesproken taalproductie hoogstwaarschijnlijk leiden tot een niet-standaard Duits. Personen in bijvoorbeeld Oostenrijk of Zwitserland hanteren vaak een soort fonetisch schrift, waarin de dingen worden geschreven zoals ze worden gezegd. Een voorbeeld is het Zwitserse: “Han mega freud gha wo d karte afah singe hed!” (Standaardduits: Ich hab mega-Freude gehabt, als die Karte angefangen hat zu singen! - Nederlands: Ik vond het geweldig leuk toen de kaart begon te zingen.).

top

2. Specifieke informatie over het Duits


Fonologie
Eén aspect van de Duitse fonologie, dat afwijkt van het Nederlands, is de grotere groep affricaten: [pf] als in ‘Pfeffer’, [ts] als in ‘zwei’ of ‘Platz’, [dʒ] als in ‘Dschungel’, [tʃ] als in ‘quatschen’, [ʃt] als in ‘Stuhl’ en [ʃp] als in ‘spielen’. Deze klanken worden over het algemeen als moeilijk beschouwd bij het leren van de Duitse uitspraak. Daarnaast is de lange, voorin uitgesproken, ongeronde [æ:] zoals in ‘Väter’ een lastige klank om uit te spreken en de diftong [ɔɪ] als in ‘heute’ of ‘Bräute’. Ook typisch in het Standaardduits is de vocalisatie van ‘-er-‘ of ‘-r’ als in ‘Vater’ of ‘Uhr’. Deze klanken worden uitgesproken als [ɐ]. Hoe meer men naar het Zuiden van het Duitse taalgebied gaat, hoe explicieter de [r] als dusdanig voor in de mond wordt uitgesproken. Als laatste is het noemenswaardig dat de Duitse [l] meer voor in de mond wordt gevormd dan de Nederlandse [ł].

Andersom zijn er ook klanken in het Nederlands die niet in het Duits voorkomen: de [œj] als in ‘huis’, de [e:u] als in ‘leeuw’, de hardere [ɣ] als in ‘gat’ en ‘lach’ en de combinatie [sx] als in ‘schoen’. Ik beperk mij tot de spreektaal, en ga niet in op uitspraak met betrekking tot de orthografie.

In principe lijken de CV-structuren van het Duits en het Nederlands erg op elkaar. Er zijn in het Duits wel meer complexe consonantclusters, die voor Duitsleerders lastig kunnen zijn, bijvoorbeeld zoals in ‘Herbststurm’ (Herfststorm), omdat de [st] in het tweede deel van de samenstelling anders moet worden uitgesproken dan de [st] in het eerste deel: [ʃt] vs. [st].

Morfologie
Qua naamwoordsmorfologie verschillen het Duits en het Nederlands enigszins van elkaar. In beide talen is zowel derivatie al samenstelling mogelijk (met of zonder verandering van woordklasse). Het Duits is in tegenstelling tot het Nederlands een sterker flecterende taal, met bijvoorbeeld vier naamvallen. Declinatie* gebeurt bij zelfstandig naamwoorden, lidwoorden, persoonlijk voornaamwoorden, bijvoeglijk naamwoorden en telwoorden in het Duits op drie niveaus: vier naamvallen, enkelvoud/meervoud en drie soorten grammaticaal geslacht. Ter vergelijking: in het Nederlands is er ook het onderscheid enkelvoud/meervoud, maar er zijn slechts twee soorten grammaticaal geslacht en er wordt geen verschil meer gemaakt in naamvallen, met als enige uitzondering de twee verschillende verschijningsvormen van de persoonlijk voornaamwoorden (bijv.: hij vs. hem).

In het Duits zijn er voor de vorming van het meervoud vijf declinatietypen en komt het vaak voor dat in de uitspraak de klinker verandert (umlaut). In het Nederlands gebeurt dit veel minder (bijv.: schip - schepen). Wel verandert in het Nederlands een gedekte klinker in een open (bijv.: vat - vaten).

Het is een complex regelsysteem dat onderscheidt in sterke, zwakke, regelmatige en onregelmatige declinatie in verschillende verbuigingsklassen. Er zijn regels met betrekking tot wel of geen umlaut bij -a-, -o- en -u, en met betrekking tot welk suffix het zelfstandig naamwoord in het meervoud krijgt (-e, -en, -er, -n, -s of -Ø). Vrijwel alle combinaties zijn mogelijk en daarnaast zijn er veel uitzonderingen, voornamelijk bij de leenwoorden. De enige veranderingen aan het zelfstandig naamwoord zelf doordat een bepaalde naamval regeert, is te horen aan de ‘-s’ of ‘-es’ bij mannelijke en onzijdige nomina in de genitief en aan de ‘-n’ bij de meervoudsnomina in de datief. De rest van de naamvallen worden uitsluitend uitgedrukt op de andere woordklassen.

Het lidwoord in het Duits kent zowel zes bepaalde als zes onbepaalde verschijningsvormen. Ter vergelijking: het aantal verschijningsvormen in het Nederlands is twee voor bepaalde lidwoorden (de, het) en slechts één voor onbepaalde (een). In het Duits congrueert het lidwoord zoals boven genoemd in geslacht, aantal en naamval met het zelfstandig naamwoord. Het lidwoordgebruik komt in de twee talen overeen, met slechts enkele uitzonderingen, die buiten het doel van deze pagina m.b.t. kindertaalgebruik liggen.

Met name het verschil tussen de synthetische opbouw van het Duits en de analytische opbouw van het Nederlands zou kunnen leiden tot taalfouten van tweetalige kinderen beiderzijds, vooral omdat deze vormen zo saillant zijn in het Duits. Als een synthetisch opgebouwde Nederlandse zin wordt geproduceerd, zal dit archaïsch klinken, bijv.: “Dat is de hond onzer buren.”.

*Declinatie (verbuiging): Een woordvorm verandert om een verandering in grammaticale functie in zinsverband weer te geven.

Syntaxis
Volgens Ten Cate e.a. (2004) is de woordvolgorde in het Duits in veel gevallen hetzelfde als in het Nederlands (vgl. p.36). Stellende zinnen hebben het vervoegde werkwoord op de tweede plaats (SVO). In vraagzinnen komt het werkwoord voorin in de zin te staan (VSO). Echter in enkele gevallen wijkt dit ook van elkaar af. Indien relevant voor mondeling kindertaalgebruik is hier een kort overzicht gegeven van verschillen in woordvolgorde. Belangrijker in het Duits dan in het Nederlands is de “Kontaktstellung” tussen het onderwerp en het vervoegde werkwoord. Het zogeheten “ausklammern” van zinsdelen (vgl. Ten Cate, 2004, p.37) in zinnen met een complex gezegde is in het Duits ongebruikelijk, terwijl dat in het Nederlands eerder regel dan uitzondering is, zoals bijvoorbeeld in de volgende zin: “Gestern hat er uns mit seinem neuen Hund besucht.” vs. “Gisteren heeft hij ons bezocht met zijn nieuwe hond.”.

Daarnaast hebben de niet-finiete delen van het gezegde in het Duits een andere volgorde. Het direct met de persoonsvorm verbonden element staat aan zinseinde. In het Nederlands staan deze twee elementen het liefst zo dicht mogelijk bij elkaar. Ook staan vervangend infinitieven aan zinseinde. In hoeverre dit van belang is bij kindertaalgebruik valt te betwijfelen. Voor een helder overzicht voorzien van voorbeelden zie Ten Cate (2004, p.36 e.v.). Wel van belang kan zijn dat voltooid deelwoorden in het Duits niet achter infinitieven kunnen voorkomen: “Eva muss mich gesehen haben.” vs. “Eva moet mij gezien hebben / hebben gezien.”. In bijzinnen kan in het Nederlands het vervoegde werkwoord ook voor een infinitief of een voltooid deelwoord staan, in het Duits is dit niet mogelijk: “Ich höre, dass Eva morgen kommen wird.” vs. “Ik hoor dat Eva morgen komen zal / zal komen.” (Ten Cate, 2004, p.38). De regels voor de plaats van vervoegde modale werkwoorden zijn zeer complex. In ieder geval is de volgorde altijd afwijkend van de Nederlandse volgorde. Voor een uitgebreid overzicht, zie Ten Cate (2004, p.39 e.v.).

Het meest moeilijk gevonden onderdeel van de Duitse taal voor Nederlandse leerders is vaak het naamvalssysteem. Voor tweetalige kinderen zal het minder moeilijk zijn, aangezien zij dit automatisch oppikken, net als Duitse eentalige kinderen. Elk voorzetsel regeert in het Duits één van de drie naamvallen (genitief, datief of accusatief). Bij veel voorzetsels is dit eenduidig voor vreemdetaalleerders. Voor een beperkte groep voorzetsels is het verre van eenduidig wanneer zij welke naamval regeren: dit is semantisch bepaald (Ten Cate, 2004, p.362 e.v.). Het hangt er bij deze voorzetsels vanaf in welke betekeniscontext zij voorkomen. Vaak wordt als ezelsbrug voor leerders gebruikt of er in de zin al dan niet een beweging plaatsvindt, is dit het geval, dan regeert het voorzetsel accusatief, zo niet datief. Duitsers geven aan “te voelen” welke naamval er komt en denken daar niet bewust bij na, vaak zijn zij niet eens in staat te benoemen waarom zij denken dat het dan wel 3e dan wel 4e naamval moet zijn. Bepaalde werkwoorden regeren een bepaalde naamval, die wordt uitgedrukt op de complementen (objecten) behorend bij dat werkwoord. Ook hier zijn zowel eenduidige als semantische bepaalde, situatieafhankelijke groepen werkwoorden (Ten Cate, 2004, p.143 e.v.). Bepaalde adjectieven regeren ook zelf een bepaalde naamval, maar dat is vaak formeel taalgebruik, dat niet wordt gebruikt door kinderen (Ten Cate, 2004, p.225 e.v.).

Pragmatiek
Het Duitse kent een uitgebreider systeem om beleefdheid tot uitdrukking te laten komen in taal, zo is er een aparte werkwoordsvorm voor ‘U’ in het paradigma (gelijk aan het infinitief), en er wordt daarnaast vaak in de aanvoegende wijs (conjunctivus) gesproken. De “Konjunktiv II” is het meest productief in gesproken taal, en de “Konjunktiv I” wordt meer in geschreven taal gebruikt. Deze “mogelijkheidsvorm” drukt irrealiteit uit, of een beleefde en afstandelijke wens/vraag of opmerking (Ten Cate, 2004, p.96 e.v.).
Het Duitse systeem van modale werkwoorden is complex en maakt onderscheid in subjectief en objectief modaal werkwoordgebruik. Dit hangt bijvoorbeeld samen met het feit of de informatie die men vertelt daadwerkelijk is waargenomen of dat het informatie uit tweede hand is, vaak worden ook hier de conjunctiefvormen van de modale werkwoorden gebruikt, in het nieuws is dit doorgaans het geval. In geschreven taal wordt de “Konjunktiv I” gebruikt bij indirect taalgebruik, tenzij deze vorm gelijk is aan de indicatiefvorm, dan wordt “Konjunktiv II” gebruikt.

In vertalingen is het gebruik van het werkwoord “zouden” problematisch en sterk afhankelijk van de spreeksituatie kan dit ene werkwoord worden vertaald door “würden”, “wollten”, “mögen”, “dürften”, “möchten” of door een keuze tussen een werkwoord in de modus “Konjunktiv II” of één van voorgenoemde werkwoorden. Belangrijk om te beseffen dat het goed mogelijk is dat een tweetalig kind een voorkeur ontwikkelt om “zouden” met maar één bepaald werkwoord te vertalen in het Duits, of in het Nederlands vormen probeert te creëren die niet bestaan, bijvoorbeeld naar analogie van vorming van Konjunktiv II (zie ook Ten Cate, 2004, p.115 e.v.).

Het werkwoord “gehen” betekent in de regel een daadwerkelijk voortbewegen. Bij slechts een aantal werkwoorden in het Duits kan het Nederlandse “gaan” met “gehen” worden vertaald in de overdrachtelijke zin (bijv. “baden”, “schwimmen”, “essen”, “trinken” en “schlafen”). In andere gevallen dient het Nederlandse “gaan + infinitief” in het Duits met “werden/wollen + infinitief” te worden vertaald (Ten Cate, 2004, p.133).

Het in het Nederlands veel gebruikte “er” (en ook vaak “het”) heeft in het Duits geen equivalent en krijgt in vertalingen een Ø-plek (Ten Cate, 2004, p.359). Bij tweetalige kinderen kunnen interferenties worden verwacht in beide richtingen.

Het gebruik van diminutiva is het in Duits (“-lein” of “-chen”) zeer beperkt in vergelijking tot het gebruik van verkleinwoorden in het Nederlands (Ten Cate, 2004, p.302). Dit met uitzondering van de Zuid-Duitse dialecten en taal gesproken door mensen afkomstig uit Oostenrijk of Zwitserland (“-(e(r))l” of “-li”).

top

3. Verwervingsfases


Vanaf de geboorte verkrijgt het kind zoals altijd grondleggende informatie over de opbouw van zijn of haar moedertaal. Tussen de 6e en 9e levensmaand is de fonologie zich aan het vastzetten. Vanaf deze fase zijn bijvoorbeeld Duitse kinderen al in staat te onderscheiden tussen de in het Duits voorkomende lange “ü” en de in het Engels en Duits voorkomende “u”. Vanaf de 11e tot de 13e maand verschijnen de eerste woorden. Een kind bouwt langzaam een besef op van de relatie tussen de wereld om hem heen en taal. Het pseudowoord “ado” wordt dan gebruikt voor alle auto’s, grasmaaiers, losse banden, etc.. Een Duits kind kan bijvoorbeeld “alle alle” zeggen, wat iets betekent als “op op”, bijv. wanneer de beker leeg gedronken is of wanneer hij merkt dat er iets gezocht wordt of wanneer het speelgoed er mee stopt.

Rond 2;6 spreekt het kind in steeds langere zinnen, waarbij het werkwoord aanvankelijk nog onvervoegd of incompleet blijft en de woordvolgorde niet doeltaalconform kan zijn, bijv. “Tom auch säft noch.” (“Tom schläft auch noch.”). Bovendien komen er altijd nog fonologische fouten voor zoals clusterreductie, etc. (zoals ook in het hierboven gegeven voorbeeld in het werkwoord). Het moeilijkst voor Duitse kinderen zijn de klanken die met het gehemelte worden gevormd, de sisklanken en de consonantclusters. In de twee-woordfase gebruiken kinderen normaal gesproken nog geen contrastieve naamvalsmarkeringen in het Duits, maar meestal de citatievorm (nominatief).

Rond de derde verjaardag zijn enkele kinderen als in staat vraagzinnen en bijzinnen te produceren (met “und” en “und dann”). Ook worden de meeste clusters nu correct uitgesproken, maar het kan voorkomen dat dit een inconsistent patroon laat zien, waarbij een kind bijvoorbeeld “Kraht” in plaats van “Draht” zegt, maar wel in staat is “Andrea” correct uit te spreken. Tijdens het derde levensjaar wordt er een systeem ontwikkeld dat onderscheid maakt tussen nominatief en niet-nominatief vormen. De genitief-’s (bezittelijk) is één van de eerste naamvalsmarkeringen die, zij het beperkt, voorkomen. Deze “‘s” wordt vervolgens vaak overgegeneraliseerd naar alle nomina.

Bij de leeftijd van 4;0 is het gebruikelijk dat ook voornaamwoorden (er, sie, ihm, Ihnen, etc.) gebruikt worden. Veelal wordt bij het spelen de Konjunktiv al correct gebruikt, zoals bijvoorbeeld in een rollenspel. Complexere bijzinnen, met andere connectoren worden ook steeds meer geproduceerd.

Als het kind 5;0 is kan het nagenoeg foutloos complexere zinnen maken. De sisklanken (s, z, sch, x en ß) worden nu ook beheerst. Volgens Mills (1985, p. 185) wijst de data uit meerdere studies er op dat zelfs zich normaal ontwikkelende kinderen tot 6;0 jaar geen postnominale genitieven produceren (bijv.: ‘Das Auto der Frau.’ – ‘De auto van de-Gen. vrouw.’). Over het algemeen worden eerst de datief en accusatief voornaamwoorden correct gebruikt (rond 4;0), voordat de regelmatig geflecteerde suffixen op determinatoren en adjectieven correct verbogen worden. De casusmarkeringen op nomina worden over het algemeen het laatst verworven.

Er zijn drie hoofdfouttypen geobserveerd in Duitse naamvalsverwerving bij zich normaal ontwikkelende kinderen (Clahsen, 2005):
- overgeneralisatie van syntactische naamvallen naar lexicale naamvallen (kinderen associëren bepaalde syntactische posities met bepaalde naamvallen, en negeren dan de lexicale bijzonderheden);
- omissie van naamvalsmarkering op onbepaalde lidwoorden (‘ein-Ø’);
- substituties van de correcte datiefuitgang (‘-m’) door de incorrecte accusatiefuitgang (‘-n’) (kan echter ook fonologische redenen hebben i.p.v. grammaticale).

top

4. Onderzoek naar taalstoornissen in het Duits


In onderzoek naar casusmarkering in het Duits is overgebruik van nominatief, de citatievorm, gevonden ten koste van accusatief en datief (Clahsen, 1991). De nominatief werd in 64% van de 102 accusatiefcontexten gebruikt, en in 42% van de 62 datiefcontexten. In de onderzoeken waar deze cijfers uit komen werd echter geen onderscheid gemaakt tussen syntactische en lexicale naamvallen. Ook foutief gebruik van datief en accusatief in de andere richtingen werd gevonden, echter in mindere mate. In een vergelijking tussen verplichte contexten van casusgebruik in de data, bleek het verschil in correct casusgebruik tussen zich normaal ontwikkelende kinderen en kinderen met een taalstoornis niet significant te verschillen. Voor beide populaties apart werd wel een significant verschil tussen correct gebruik van syntactische en lexicale naamvallen gevonden.

Een atypisch effect van frequentie in input is gevonden door Van der Lely (2000, p.36). Zich normaal ontwikkelende Duitstalige kinderen overgeneraliseren de default meervoudssuffix ‘-s’, hoewel deze in de input infrequent is. Duitstalige kinderen met een taalstoornis schijnen het meest voorkomende suffix te overgeneraliseren, ‘-en’. Met de wetenschap dat in het Nederlands dezelfde meervoudssuffixen bestaan, en ook in deze taal ‘-en’ het meest frequent is, zijn er mogelijk overgeneralisaties van ‘-en’ te verwachten door kinderen met een taalstoornis.

Clahsen et al. (1992) rapporteerde dat Duitse kinderen kinderen met een taalstoornis het meest frequente meervoudssuffix (‘-en’) weglieten binnen samenstellingen (bijv. *huisjacht i.p.v. huizenjacht). Bartke (1998) vond verschillen in vaardigheid van kinderen met een taalstoornis m.b.t. simpele meervoudsvorming en samenstellingen. Zich normaal ontwikkelende kinderen laten het regelmatige suffix ‘-s’ vaak weg of overgeneraliseren dit suffix. Zij doen dit niet met onregelmatige meervoudssuffixen. Kinderen met een taalstoornis in deze studie vertonen een atypisch patroon in overregularisatie en omissie (zie van der Lely, p.38, voor details).

Congruentie werd door kinderen met een taalstoornis vaker fout gedaan dan verledentijdsmarkering. Congruentiefouten zouden in het Duits dus een betere markeerder zijn voor een specifieke taalstoornis dan het gebruik van verledentijdsvormen (Clahsen, 1997). Kinderen met een taalstoornis produceren minder werkwoordsvormen die correct zijn gespecificeerd voor getal en persoon (SLI: 53%, NO: 96%). Met andere woorden: de features van de geproduceerde werkwoorden (persoon en getal) komen niet overeen met de gespecificeerde features van de naamwoorden (persoon, getal en ook gender) in eenzelfde uiting.

Vanwege het feit dat kinderen veel infinitieven produceren door het ontbreken van de juiste features, zou je een indirect effect op woordvolgorde verwachten aangezien infinitieven in het Duits, net als in het Nederlands, achteraan in de zin komen. Grimm (1993) heeft gevonden dat kinderen met een taalstoornis de werkwoorden ongeacht vervoegd of infinitief aan het zinseinde plaatsen. Clahsen kan in deze studie dit resultaat niet repliceren en vindt over het algemeen geen afwijkend patroon van kinderen met een taalstoornis m.b.t. werkwoordsplaatsing in vergelijking tot zich normaal ontwikkelende kinderen. Bij een nadere analyse komt hij echter tot de conclusie dat de kinderen met een taalstoornis onderling erg verschillen. Sommige SLI-kinderen tonen structureel ondergebruik van een finiet werkwoord (Vfin)op de tweede plek in de zin (PosII) waar andere kinderen met vergelijkbare leeftijd dit wel al correct doen. Eén van de kinderen overregulariseerde PosII, waardoor ook infiniete werkwoorden op die positie werden geplaatst.

Voorbeelduitingen
Onderstaand enkele fouten die Duitssprekende kinderen met een TOS maakten.
6.png

Fout in werkwoordsvervoeging, leeftijd 4;5.
Bron: Rice, Noll en Grimm (1997).


7.png
7a.png
7c.png
Verschillende naamvalsfouten op leeftijden tussen de 5;8 en 7;11.
Bron: Clahsen e.a. (2005)




top

5. Slotopmerkingen en literatuurverwijzingen


Er zijn volgens Clahsen (1997) twee morfosyntactische fenomenen die een substantieel onderscheid maken tussen gesproken taalproductie van zich normaal ontwikkelende kinderen en kinderen met een taalstoornis:
  • Infinitieven op Pos II
  • Infinitieven in één uiting met volledig gespecificeerd subject (casus, gender, numerus, persoon).
Dit betekent dat aanwijzingen voor een taalstoornis in het Duits voornamelijk gevonden zullen worden op deze gebieden. Aan een ouder/verzorger van een kind dat Duits als moedertaal heeft en het Nederlands als tweede taal leert en van wie een vermoeden bestaat dat hij/zij een taalstoornis heeft, zou bijvoorbeld gevraagd kunnen worden of het kind de werkwoorden op de juiste plek in de zin plaatst in het Duits. Ten tweede zou gevraagd kunnen worden of het kind moeite heeft met het koppelen van de juiste persoon aan de werkwoordsvorm (ik-, jij-, hij/zij-, etc.) en ook met het verschil tussen vormen in het enkelvoud en vormen in het meervoud.

Literatuurverwijzingen

Bartke, S. (1998). Experimentelle Studien zur Flexion und Wortbildung, Pluralmorphologie und lexikalische Komposition im unauffälligen Spracherwerb und im Dysgrammatismus. Niemeyer Verlag: Tübingen.
Cate, A.P. ten e.a. (2004). Deutsche Grammatik. Eine kontrastiv deutsch-niederländische Beschreibung für den Fremdspracherwerb.Coutinho: Bussum.
Clahsen, H. (1991). Child language and developmental dysphasia. Linguistic studies of the acquisition of German. Benjamins: Amsterdam.
Clahsen, H. e.a. (1992). Regular and irregular inflection in the acquisition of German noun plurals. Cognition, 45, 225-255.
Clahsen, H. e.a. (1997). Formal features in impaired grammars: a comparison of English and German SLI children. Journal of Neurolinguistics, Vol. 10, No. 2/3, 151-171.
Clahsen, H. e.a. (2005). Structural and Lexical Case in Child German: Evidence from language-impaired and typically-developing children. Language Acquisition 13(1), 3- 32.
Grimm, H. (1993). Syntax and morphological difficulties in German-speaking children with specific language impairment: implications for diagnosis and intervention. In: Language Acquisition Problems and Reading Disorders: Aspects of Diagnosis and Intervention, eds H. Grimm and H. Skowronek, 25-64. De Gruyter: Berlin.
Kessel, K. en Reimann, S. (2008). Basiswissen Deutsche Gegenwartssprache. 2. Auflage. Narr Francke Attempo Verlag GmbH + Co. KG: Tübingen.
Lely, H.K.J. van der e.a. (2000). Lexical word formation in children with grammatical SLI: a grammar-specific vs. an input-processing deficit? Cognition, 75, 33-63.
Rice, M. L., Noll, K. R., & Grimm, H. (1997). An extended optional infinitive stage in German-speaking children with specific language impairment. Language Acquisition, 6(4), 255-295.

Geraadpleegd op 15 december 2011:
http://wiki-de.genealogy.net/Dialekte

Geraadpleegd op 6 januari 2012:
www.mutterspracherwerb.de

Geraadpleegd op 7 januari 2012:
http://www.dbl-ev.de/index.php?id=898

top