Auteurs van deze pagina: Eva Schulte, Lisa Gosker en Lauri Sanders

0. Praktische informatie voor taalonderzoek

Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer
In de lijn der verwachting zouden de volgende punten genoemd kunnen worden als transferprobleem.
  • Lidwoorden zouden foutief kunnen worden gebruikt. Moeilijkheid kan zitten in de bepaaldheid en de keuze van het bepaalde lidwoord. Ook zou het onbepaalde lidwoord weggelaten kunnen worden, op plaatsen waar deze wel verwacht wordt.
  • Het zou kunnen dat kinderen moeite hebben met de uitgang van het bijvoeglijk naamwoord, omdat er aan het woord niet te zien of het mannelijk of vrouwelijk is. Dit is in het Arabisch beter te voorspellen door de uitgang van het woord.
  • Er kan verwacht worden dat dubbele letters in het Nederlands langer uitgesproken worden, omdat deze in het Arabisch ook langer uitgesproken worden.
  • Ook kan er moeilijkheid verwacht worden in devoicing. Dit betekent dat wanneer een woord eindigt op een /d/ deze uitgesproken wordt als /t/. Het Arabisch kent dat niet, en laat deze /d/ nog steeds als een /d/ klinken.
  • De /uu/ zou kunnen klinken als een /oe/. Het Arabisch kent de /uu/-klank niet zoals in Nederland, maar alleen als /oe/.
  • Het weglaten van ‘is’ in zinnen van vergelijking. Bijvoorbeeld: De man is groot. In deze zin staat man gelijk aan groot. In het Arabisch wordt ‘is’ dan weggelaten.
  • In het Marokkaans Arabisch is er geen inversie in bijzinnen (vergelijk met het Nederlands: hij loopt naar huis vs. omdat hij naar huis loopt). Het zou kunnen dat dat kinderen die Arabisch spreken als moedertaal, er moeite mee hebben de inversie op de juiste manier toe te passen, vooral ook omdat inversie niet na ieder voegwoord plaatsvindt (vergelijk met: want hij loopt naar huis).


Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementen

Er worden een aantal klinische markers gesuggereerd voor Arabische taalstoornissen:
  • Een beperkt aantal morfemen per uiting;
  • Een lagere productie van werkwoorden dan van zelfstandig naamwoorden;
  • Moeite met werkwoordcongruentie voor persoon, geslacht en soms ook getal;
  • Weglatingen van verplichte morfologische structuren;
  • Weglatingen van objects-suffix;
  • Aanwezigheid van vocale parafasie; (verwisselen van klinkers)


Hieronder staan een aantal vragen die gesteld zouden kunnen worden aan de ouders om de eerste taal te onderzoeken:

- Uit hoeveel woorden bestaan gemiddeld de zinnen van het kind? (houdt hierbij rekening met het feit dat het Arabisch een pro-drop taal is en dat zowel het object als subject besloten kan zijn in het werkwoord).
- Zijn de zinnen grammaticaal?
- Maakt het kind zinnen waarin het onduidelijk is over wie of over wat het gaat? (weglaten van onderwerp/object)
- Past het kind de bijvoeglijke naamwoorden aan op de zelfstandig naamwoorden op geslacht, bepaaldheid en aantal?
- Gebruikt het kind een lidwoord wanneer dit nodig is?
- Staan de werkwoorden in de juiste tijd?
- Wordt het werkwoord voor de goede persoon vervoegd, dus wordt een hij-vorm vervoegd als een hij-vorm? Of gaat het vaak fout?
- Wordt er voor een vrouwelijke persoon met een vrouwelijke vorm vervoegd (dit gaat heel vaak fout bij kinderen met TOS, zij gebruiken dan vaak de mannelijke vorm)?
- Worden de meervouden van werkwoorden als meervouden geproduceerd? Of gebruikt het kind misschien het enkelvoud?
- Maakt het kind goede vraagzinnen? Gebruikt het ‘waš’ (spreek uit als sh als in bush) voor ja/nee vragen?
- Maakt het kind ontkenningen goed? Vervoegt het kind het werkwoord goed als het werkwoord ontkend moet worden?
- Gebruikt het kind werkwoorden waarin het object ook aanwezig is? (oudere kinderen)

Onderzoek in de moedertaal
Het is mogelijk met behulp van de app Speakaboo onderzoek te doen naar de articulatorische ontwikkeling van kinderen die Marokkaans-Arabisch spreken (2 tot 6 jaar). Zie informatie over dit diagnostisch instrument op de pagina Diagnostische materialen. Voor het gebruik van deze app heeft de logopedist of linguïst geen kennis van het Arabisch nodig.

Naar boven

1. Algemene informatie over het Marokkaans Arabisch


Het Arabisch is een Semitische taal net zoals het Hebreeuws en het Syrisch. Arabisch heeft ook typische karakteristieken van Semitische talen zoals onder andere een morfologie met wortels, radicalen en patronen, een onregelmatig meervoud van naamwoorden (/ktab/ ‘een boek’ en /ktub/ ‘boeken’) en emfatische (‘doffe’) medeklinkers (articulatiepunt is meer richting keel).Het Arabisch is een synthetische taal met veel vervoegingen. Zowel voorvoegsels, invoegsels als achtervoegsels of een combinatie hiervan zijn mogelijk.

In Marokko wordt naast het Arabisch ook Berbers gesproken. Doordat Marokko voor een deel berglandschap heeft zijn er ook nog verschillende dialecten van het Marokkaans Arabisch ontstaan, waardoor er in de grote steden zoals Fez, een ander dialect gesproken wordt dan in de bergen. De verschillen zijn niet zo groot dat het een andere taal kan worden genoemd, maar er zijn bijvoorbeeld verschillen in de fonologie te vinden. Er is wel altijd contact geweest tussen de dorpen in de bergen en de mensen in de stad waardoor de talen geen eigen leven zijn gaan leiden. In figuur 1 staat een verdeling van de talen in Marokko.

350px-Morocco_ethno_1973_all.svg.png
Figuur 1: Taalverdeling in Marokko


Een ander kenmerk van het Arabisch is diglossie (Håkansson, Salameh, & Nettelbladt, 2003). Dit is de situatie waarin twee variëteiten van eenzelfde taal in twee maatschappelijk verschillende situaties worden gebruikt. Het dialect Marokkaans Arabisch wordt gebruikt in mondelinge informele en huiselijke situaties, terwijl het Modern Standaard Arabisch gebruikt wordt om te schrijven en in formele situaties. Elk Arabisch land heeft een eigen dialect met Modern Standaard Arabisch als officiële taal. Alle Arabisch sprekende kinderen wonend in een Arabisch sprekend land verwerven eerst het eigen dialect voordat ze via onderwijs met Modern Standaard Arabisch in aanraking komen. Volgens Hoogland (1996) rust er op het schrijven van Marokkaans een taboe, hoewel het wel af en toe gebeurt. Bezwaren hierbij zijn dat Marokkaans geen gestandaardiseerde spelling heeft er dus variatie kan zijn van schrijver tot schrijver in hoe eenzelfde woord geschreven wordt. Ook zijn er klanken in het Marokkaans die niet geschreven kunnen worden met de letters van het Modern Standaard Arabisch en kan de schrijver beïnvloed worden door de spellingsregels van het Modern Standaard Arabisch waardoor een deel van het typisch Marokkaanse wegvalt.

Naar boven

2. Specifieke informatie over het Marokkaans Arabisch


Fonologie

Er zijn volgens Hoogland (1996) drie lange klinkers en twee korte klinkers in het Marokkaans. In totaal zijn er 31 medeklinkers inclusief twee semi-medeklinkers (w en y) die aan het begin van een woord voor een medeklinker als klinker worden uitgesproken. Een aantal van deze medeklinkers wordt uitgesproken zoals in het Nederlands, maar een aantal ook niet. Voor alle letters die niet zo uitgesproken worden als in het Nederlands of die weergegeven worden met een onbekend letterteken, is in tabel X achter de letter tussen haakjes en in blauw in IPA de uitspraak gezet.

De klinkers
In het Marokkaans zijn er 3 lange klinkers: /a/, /i/ en /u/. De /a/ wordt uitgesproken zoals de /a/ in het Engelse woord “bad”. De /i/ klinkt zoals de Nederlandse /ie/ als in bijvoorbeeld “vier”. De /u/ klinkt zoals de Nederlandse /oe/ in bijvoorbeeld “voer”.
Het Marokkaans kent ook 2 korte klinkers. De // kan op 2 manieren worden uitgesproken. Dit is afhankelijk van de medeklinkers die er omheen staan. De eerste mogelijkheid is dat deze wordt uitgesproken als een soort /o/, zoals in het Nederlandse wordt ‘kort’. De tweede optie is dat het wordt uitgesproken als een korte /oe/. Dit komt het meest overeen met de /oe/ zoals in bijvoorbeeld het Nederlandse wordt ‘boet’. De andere korte klinker is de /e/, deze wordt uitgesproken als bijvoorbeeld de /e/ in ‘tante’. Echter, hij komt in het Arabisch nooit aan een syllabe/woordeinde.


Bekende klanken in het Nederlands
De uitspraak van b, d, f, h, k, l, m, n, p, r, s, w en z komt ook in het Nederlands voor, alhoewel de w iets meer lipronding heeft en de b en d op een woordeinde ook stemhebbend blijven zoals de d in het Engelse woord ‘bad’. Achter de t komt een korte s-klank, tenzij deze klank gevolgd wordt door een n of l. Daarnaast komt de uitspraak š in het Nederlands ook voor bijvoorbeeld in het woord ‘sjabloon’ en de ž in de uitspraak van de tweede ‘g’ in ‘garage’. De g wordt uitgesproken zoals de ‘g’ in ‘goal’, de y wordt uitgesproken zoals de j in jas en de x zoals in ‘acht’.


Onbekende klanken in het Nederlands
Naast de ‘gewone’ net zoals in het Nederlands uitgesproken b, d, l, r, s, t, en z zijn er in het Marokkaans ook emfatisch uitgesproken letters waarbij het articulatiepunt meer richting de keel verschuift en die het Nederlands niet kent. De medeklinkers krijgen dan een doffere klank. Ook de huig-medeklinkers q komt niet voor in het Nederlands. De q is een klank vergelijkbaar met de /k/ maar de articulatie vindt plaats tegen de huig in plaats van tegen het verhemelte zoals bij de ‘gewone’ k. De g wordt uitgesproken zoals de Franse r in ‘Paris’. De h is een stemloze schuurklank die geproduceerd wordt door lucht langs de farynx te persen. De ɛ is een stemhebbende schuurklank.

Net als in het Nederlands, worden er ook dubbele medeklinkers gebruikt in het Marokkaans Arabisch. Echter, in het Marokkaans Arabisch worden de medeklinkers twee keer zo lang uitgesproken wanneer er twee dezelfde medeklinkers naast elkaar staan. Het is belangrijk dat dit gebeurt, want dit is betekenis onderscheidend. Vaak bestaat er dus ook een variant, zonder de dubbele letter, met een andere betekenis.

Klemtoon
Het accent is in het Marokkaans niet van invloed op de betekenis van het woord, maar helpt de luisteraar om de juiste woordgrenzen te vinden in de continue stroom van klanken. Wanneer de klemtoon verkeerd wordt gelegd, kunnen er verkeerde syllabes aan elkaar geplakt worden, waardoor er een zin zonder betekenis kan ontstaan. Het accent valt in het Marokkaans Arabisch in meerlettergreperige woorden op de laatste lettergreep, indien deze op een lange klinker met een consonant eindigt. Wanneer de laatste lettergreep op een vocaal eindigt of geen lange klinker bevat, zal de klemtoon op de lettergreep ervoor vallen.


Tabel 1
fonologieMar.jpg
B: bilabiaal; L-D: Labio-Dentaal; D-A: Dentaal-alveolair; E-A: emfatisch-alveolair; A-P Alveo-palataal; V: Velair;
U: Uvulair; F: faryngaal; L: Laryngaal.


Morfologie

De meeste woorden zijn opgebouwd rond drie medeklinkers (wortel) die een grondbetekenis dragen. De drie medeklinkers zijn radicalen. De drie radicalen k, t, en b vormen de wortel ktb en dit heeft als grondbetekenis ‘schrijven’. De woorden /kteb/ ‘hij schreef’, /mekteb/ ‘kantoor’ /ktab/ ‘boek’ en /kitaba/ ‘het schrijven’ hebben allemaal iets met ‘schrijven’ te maken. Een patroon is een vast schema van klinkers (eventueel een medeklinker) en open plaatsen. Op de open plaatsen van zo’n patroon kunnen de radicalen van een wortel ingevuld worden om een woord te vormen.

In het Marokkaans kunnen nooit drie medeklinkers naast elkaar staan. Wanneer Marokkanen Nederlands spreken zal het daarom moeilijk kunnen zijn, om woorden met drie medeklinkers achter elkaar uit te spreken.


Zelfstandig naamwoorden
Aan een zelfstandig naamwoord is af te lezen of het bepaald of onbepaald is, of het meervoud of enkelvoud is, en of het mannelijk of vrouwelijk is. Hieronder staat beschreven hoe dit werkt.

Het Arabisch kent één lidwoord, dit is een prefix van het zelfstandig naamwoord. Afhankelijk van de eerste letter van het woord, verandert de consonant van het lidwoord mee (assimilatie).

In het Marokkaans Arabisch kan er op twee manieren onbepaaldheid van het zelfstandig naamwoord worden uitgedrukt. Het Arabisch kent één bepaald lidwoord ‘l(e)’ om het zelfstandig naamwoord bepaald te maken, wanneer deze weggelaten wordt, staat er een onbepaald zelfstandig naamwoord. Dit is de makkelijkste manier. De andere manier om een zelfstandig naamwoord onbepaald te maken is door wahed + l(e)- voor het zelfstandig naamwoord te zetten (waarbij l(e) weer prefix is). Deze tweede manier kan niet toegepast worden bij bijvoeglijk naamwoorden. Om adjectieven onbepaald te maken, moet het lidwoord weggelaten worden, zoals bij de eerste wijze.

In sommige gevallen gebruikt men een bepaald lidwoord, waar in het Nederlands geen lidwoord zou worden verwacht. Ze zeggen bijvoorbeeld:

Ik ga naar de school. = Ik ga naar school.

Ook wordt er voor sommige eigennamen in het Marokkaans Arabisch een bepaald lidwoord gebruikt, waar dat in het Nederlands nooit gebeurt.

Meervouden van woorden kunnen gevormd worden door een patroon te volgen. Echter, veel woorden in het Marokkaans Arabisch worden onregelmatig vervoegd.
Bij de onregelmatige meervoudsvorming wordt de enkelvoudsvorm veranderd op een manier die niet voorspelbaar is:


/weld/ ‘jongen’
/wlad/ ‘jongens’

/bit/ ‘huis’
/byut/ ‘huizen’


Voor de regelmatige meervoudsvorming bestaat een mannelijke en een vrouwelijke uitgang. Het regelmatige meervoud wordt bij mannelijke woorden gevormd door de uitgang –in achter de enkelvoudsvorm te plaatsen:


/muɛellim/ ‘leraar’
/muɛellimin/ ‘leraren’


Het geslacht van het woord kan voorspeld worden aan de hand van de betekenis van het woord, zoals vrouw, of koningin, maar ook door te kijken naar de laatste letter van het woord. Eindigt een woord op een /a/ klank, dan is de kans groot dat het gaat om een vrouwelijk woord. Echter, er zijn ook woorden die eindigen op een /a/ die mannelijk zijn en er zijn ook een paar vrouwelijke woorden, die niet eindigen op een /a/.

Er zijn in het Marokkaans een beperkt aantal woorden waar ook een tweevoud kan worden gebruikt. Dit zijn woorden die een maat aangeven, en woorden die delen van het lichaam aanduiden die in paren voorkomen. Ook het woord voor ‘ouders’ wordt met de uitgang van het tweevoud gemaakt.

Bijvoeglijke naamwoorden
Adjectieven passen zich aan aan het zelfstandig naamwoord waar zij bij horen. Het geslacht, aantal en de bepaaldheid is gelijk aan dat van het zelfstandig naamwoord. Het adjectief wordt vrouwelijk gemaakt door een –a aan het einde toe te voegen. De bepaaldheid door wel of geen l(e) te gebruiken, en het aantal door aan de regelmatige meervouden -n toe te voegen. Onregelmatige meervouden moeten geleerd worden.

Werkwoorden
In het Arabisch worden over het algemeen twee tijden gebruikt. De tegenwoordige tijd en de verleden tijd. Deze komen niet geheel overeen met de betekenis in het Nederlands. Men kan zeggen dat de Arabische tegen woordige tijd overeenkomt met de onvoltooide tegenwoordige tijd van het Nederlands. En wordt gebruikt wanneer men spreekt over een gewoonte of herhaalde handeling of een handeling die nu plaatsvindt.

Het Marokkaans-Arabisch heeft een inflectiemorfologie voor alle zes personen. Het onderwerp van de zin zit al besloten in de werkwoordsvervoeging. Als er toch een persoonlijk voornaamwoord voor het werkwoord gezet wordt, dan is dit om nadruk te leggen. Geslacht wordt weergegeven op de tweede en derde persoon enkelvoud. Als voorbeeld wordt in tabel 2 het werkwoord šuf (zien) gebruikt.

Tabel 2
marokkaans zien.jpg


De verschillende tijden van het werkwoord worden geproduceerd door pre-fixen toe te voegen aan de stam van het woord. Dit is de derde persoon mannelijk enkelvoud van de verleden tijd. De vervoeging van de verleden tijd gebeurt ook door het toevoegen van voor en achtervoegsels, zoals ook gebeurde bij de tegenwoordige tijd.

Bijwoorden
Het Arabisch kent geen algemene regels over bijwoorden, maar bijwoorden hebben eigen regels.
Een verschil met het Nederlands is bijvoorbeeld te zien bij het bijwoord “er”. Het bijwoord ‘er’ schrijft men niet expliciet, maar zit besloten in deelwoorden en werkwoorden. Zie het voorbeeld hieronder.

Is een man. = Er is een man.

Syntaxis

Bevestigende zinnen
Het Marokkaans Arabisch kent meerdere woordvolgordes voor zinnen. Een belangrijk kenmerk dat hier in meespeelt, is dat het Marokkaans, net als alle andere varianten van het Arabisch, een pro-drop taal is. Zoals hierboven te lezen was, kan het persoonlijk voornaamwoord besloten zijn in het werkwoord, waardoor het onderwerp, en soms ook het object, niet meer genoemd hoeft te worden. Hierdoor ontstaan verbale zinnen. Zinnen die beginnen met een werkwoord.

Zie(1e pers. ev.) de man. = Ik zie de man.
Zie (1e pers. ev, 3e pers. man. ev.) = Ik zie hem.

Een ander soort zinnen zijn de naamwoordelijke zinnen.
In deze zin kunnen alleen aanwijzende voornaamwoorden, zelfstandige voornaamwoorden en naamwoordelijke delen van een bijvoeglijke bepaling staan, en dus geen werkwoorden. Deze zinnen worden daarom ook wel naamwoordelijke zinnen genoemd (vergelijkbaar met de naamwoordelijke zinnen in het Egyptisch). In het Nederlands zou de zin wel een werkwoord hebben, maar in het Arabisch komt het niet expliciet voor in de zin. De zin ziet er als volgt uit:

De man ziek. = De man is ziek.

Wanneer er een bijvoeglijk voornaamwoord voorkomt in de zinnen, dan staat deze achter het zelfstandig naamwoord.

Gebiedende wijs
De gebiedende wijs wordt gevormd door van de tweede persoon mannelijk(of vrouwelijk) tegenwoordige tijd het voorvoegsel weg te laten. Het congrueert met het mannelijk, vrouwelijk of meervoud.

Vraagzinnen
In het Marokkaans Arabisch worden ja/nee vragen gevormd door te beginnen met “waš”. Inhoudsvragen worden gevormd door vraagwoorden voor de zinnen te zetten, wanneer de zinnen beginnen met een zelfstandig naamwoord, wordt in sommige gevallen het persoonlijke voornaamwoord vermeld na het vraagwoord.

Ontkenningen
Om een ontkenning te maken, gebruikt men het woord “ma-ši”. Wanneer het gaat om een werkwoord deelt men de twee delen op en wordt “ma-“ voor het werkwoord geplakt en “-ši” erna. Bij andere woorden komt “ma-ši” voor het woord te staan dat ontkent wordt.

Genitief constructie
Het Arabisch kent de genitief-constructie om bezit aan te duiden. Het deel van de constructie dat bepaald is, is de eigenaar van het onbepaalde gedeelte van de constructie. “De deur van het huis” wordt in het Arabisch gevormd door “deur het huis”.

Samengestelde zinnen
Naast enkelvoudige zinnen ken het Marokkaans Arabisch, net als in het Nederlands ook samengestelde zinnen. Deze zinnen bestaan uit meerdere hoofdzinnen of heeft één of meer bijzinnen. Er bestaan complexe zinnen, waar twee of meer bijzinnen samen een gedeelte vormen van een gehele zin. In complexe zinnen bestaat één van de zinnen uit de hoofdzin en de andere zin is de ondergeschikte zin (bijzin). Een ondergeschikte bijzin kan op drie verschillende manieren fungeren in een hoofdzin: als zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, of als bijwoord. Samengestelde zinnen bevatten altijd een zelfstandig naamwoord of een voornaamwoord in de hoofdzin dat verwijst naar de bijzin. In dit soort zinnen zijn er twee belangrijke verschillen tussen het Nederlands en het Marokkaans-Arabisch. In het Nederlands wordt er gezegd: Ik weet dat hij Marokkaans spreekt. Het Marokkaans-Arabische woord voor 'dat' in de zin: ik weet dat hij ..... is /bin/ of /belli/ maar die woorden worden bijna niet gebruikt (Harrell, 1962).

Nevenschikking
Nevengeschikte zinnen zijn samengestelde zinnen, waarin een link wordt gemaakt tussen de ene zin en de andere zin. Deze zinnen hebben op grammaticaal niveau dezelfde rang. Deze zinnen worden met elkaar verbonden door woorden zoals /w/ 'en', /wella/ 'of'' en /basah/ 'maar' (Harrell, 1962).

Onderschikking
Het zelfstandig naamwoord of het voornaamwoord in de zin zorgt voor de link tussen de hoofdzin en de ondergeschikte zin. Dit woord kan verschillende vormen aannemen, zoals onderwerp, gezegde, werkwoord of een voorzetsel. De exacte semantische relatie tussen de twee zinnen, kan uit de context worden gehaald (Harrell, 1962). De woordvolgorde in de bijzin is hetzelfde als de woordvolgorde in de hoofdzin.

/lli/ en /ash/
Het woord /lli/ wordt het meest gebruikt om aan te geven dat er voorafgaand een zelfstandig naamwoord of voornaamwoord staat, dat verwijst naar een ondergeschikte zin. Dit woord kan meestal vertaald worden als die, dat, welke of waar (Guella, 2010).

Hier is het geweer, waar ik de leeuw mee doodde.png
Vertaling letterlijk: hier het-geweer dat ik-doodde ermee de-leeuw
Vertaling: Hier is het geweer, waarmee ik de leeuw doodde.

Daarnaast kan ook het woord /ash/ gebruikt worden, wanneer er niet verwezen wordt naar een persoon. Zo kan bovenstaande voorbeeld zin Hier is het geweer, waar ik de leeuw mee doodde ook gezegd worden met het woord /as/. De betekenis verandert hier niet door.

Hier is het geweer, waar ik de leeuw mee doodde 2.png
Vertaling letterlijk: het-geweer ermee doodde-ik de-leeuw
Vertaling: het geweer, waar ik de leeuw mee doodde.

Wanneer twee zinnen samengevoegd zijn met het woord 'en', bevat de tweede zin vaak een toestand of gevolg, verwijzend naar de eerste zin. De exacte semantische relatie tussen de zinnen moet weer uit de context gehaald worden. In het Marokkaans Arabisch wordt hier het woord /w/ ('en') voor gebruikt. Dit betekent niet dat wanneer het woord /w/ gebruikt wordt, er in de vertaling altijd het woord 'en' gebruikt wordt.

Toen de gazellen hem zagen, renden ze weg.png
Vertaling letterlijk: net-toen zij hoorden-hem de-gazellen en zij renden-weg
Vertaling: Toen de gazellen hem hoorden, renden ze weg.

Zoals uit bovenstaande zinnen blijkt, verandert de woordvolgorde niet in de bijzin in het Marokkaans Arabisch. Marokkaans Arabisch sprekende kinderen zijn dus vanuit de moedertaal niet bekend met inversie, zoals dat gaat in het Nederlands: Ik kom niet omdat ik naar de tandarts moet vs. ik kom niet want ik moet naar de tandarts. Ook bij zinnen met 'om te', /bash/, blijft de woordvolgorde in zowel de hoofdzin als de bijzin zoals die standaard in hoofdzinnen is. Na /bash/ moet altijd een werkwoord in de tegenwoordige tijd komen, ook als het zich in de verleden tijd afspeelt. Het werkwoord in de hoofdzin geeft het juiste tijdsaspect aan.

Voorwaardelijke zinnen
Er zijn twee basis typen van voorwaardelijke zinnen in het Marokkaans Arabisch, afhankelijk of het als-gedeelte staat voor een waarschijnlijke voorwaarde of een onwaarschijnlijke voorwaarde. Onmogelijke voorwaarden zijn te herkennen aan het woord /kun/, wat vertaald kan worden als het woord 'als'. Anders dan in het Engels, maakt het Marokkaans Arabisch geen onderscheid tussen voorwaarden in de tegenwoordige- of verleden tijd.
Zo is er geen verschil tussen 'if I had been', wat impliceert dat "I was not", en "if I were", wat ook impliceert dat "I was not". Zo hangt de vertaling van het Marokkaans /kun/ af van de context. Dit kan dus afhankelijke van de context vertaald worden naar 'If you had been", of naar "If you were". Voor een mogelijke voorwaarde wordt /ila/ gebruikt, wat ook te vertalen is als 'als' in het Nederlands. Na gebruik van dit woordje moet altijd een werkwoordvorm in de verleden tijd worden gebruikt, terwijl het niet per se op de verleden tijd hoeft te slaan. Het werkwoord in de hoofdzin geeft het juiste tijdsaspect aan. Dus de vertaling van 'als honger krijg, ga ik eten' wordt in het Marokkaans Arabisch letterlijk": 'als ik kreeg honger, ga ik eten'. Anders dan in het Engels wordt er in het Marokkaans Arabisch geen onderscheid gemaakt tussen situaties/omstandigheden in de toekomst en voorwaardelijke zinnen die als waarschijnlijk of onwaarschijnlijk worden gezien (Harrell, 1962).


Pragmatiek
Het Arabisch maakt gebruik van een directe vorm van verzoeken doen. Als men in het Nederlands vraagt om een brood bij de bakker dan vraagt men dat met een beleefdheidsvorm bijvoorbeeld “Zou ik alstublieft dat brood mogen hebben?”. Het Arabisch is daarin veel directer. Men zegt bijvoorbeeld: “Geef mij dat brood”. Wanneer Arabisch-sprekende kinderen dit letterlijk vertalen naar het Nederlands kan dat onbeleefd overkomen.


Naar boven


3. Verwervingsfases van het Marokkaans Arabisch


Over de verwervingsfases van het Marokkaans Arabisch is weinig bekend. Van het Marokkaans Arabisch zijn geen onderzoeken in het Engels of Nederlands bekend die de verwerving beschrijven. Van het Egyptisch is wel een goed onderzoek bekend van Omar & Nydell (1973). Klik hier om daar een samenvatting van te lezen.

Naar boven


4. Onderzoek naar TOS in het Arabisch


Abdalla & Crago (2008) deden onderzoek naar de werkwoordmorfologie van Arabisch sprekende kinderen met en zonder TOS in het UHA, het Arabisch dat gesproken wordt in Saudi-Arabië. Uit hun onderzoek bleek dat de kinderen met TOS veel meer fouten maakten in de werkwoordsmorfologie dan kinderen zonder TOS. Het bleek dat er veel fouten werden gemaakt met oog op congruentie. Het geslacht, getal, tijd of persoon werden vaak fout gedaan. Echter, het bleek dat kinderen met TOS vaak maar één van de drie congruenties fout deden. Dus wanneer er een fout gevonden was in getal, werd niet ook nog de tijd fout gedaan. Kinderen met TOS produceerden vaak werkwoordsvormen waar geen tijd aanwezig was, zoals in de imperatief (Wanneer in het Marokkaans Arabisch een default gebruikt wordt, is dat vaak 3e pers. mannelijk vt., omdat hier niets vervoegd wordt, deze vorm kan worden gezien als de stam van het werkwoord). Ook vervingen de TOS kinderen vaak vrouwelijke vormen door het mannelijke alternatief en werden meervouden vaak als enkelvoud geproduceerd. Ook bleek de MLU lager te zijn dan dat van leeftijdsgenoten zonder TOS.

Azab & Ashour (2015) deden onderzoek naar de prosodische vaardigheden van Egyptisch Arabisch sprekende kinderen met TOS. Uit hun studie bleek dat de prosodische vaardigheden van kinderen met TOS uit hun onderzoek minder goed ontwikkeld waren. De kinderen gebruikten minder intonatiepatronen voor verschillende soorten zinnen. Ook gebruikten ze geen beklemtoning om dingen te benadrukken. Als kinderen met TOS hinder ondervinden van het niet-begrijpen van intonatie, dan zou dit kunnen komen door een TOS. Zij kunnen dan minder informatie halen uit de spraak dan normaal ontwikkelende kinderen.


Kort samengevat: Uit eerder onderzoek (Abdalla & Crago, 2008; Azab & Ashour, 2015) zijn de volgende punten naar voren gekomen over TOS in het Arabisch:

- De kinderen met TOS scoorden lager op aanduiden van tijd in de zin; In de meeste gevallen werd een imperatief (tijdloze vorm) gebruikt in plaats van een vorm met tijd.

- De kinderen met TOS maakten veel fouten in de derde persoon tegenwoordige tijd, in de tweede persoon tegenwoordige tijd werden iets minder fouten gemaakt, en de eerste persoon tegenwoordige tijd ging helemaal goed.

- De vrouwelijke vorm van het werkwoord werd heel vaak niet gevormd, wanneer deze wel vereist is. Vaak werd de mannelijke vorm dan gebruikt. Dit gebeurde ook bij de imperatief.

- De MLU is was lager dan die van kinderen zonder TOS. Kinderen met TOS van 4-5 jaar werden op MLU gematcht met kinderen die 2 jaar waren.

- De prosodische vaardigheden van kinderen met TOS zijn waarschijnlijk minder goed ontwikkeld. Er werd door de kinderen met TOS geen verschil gemaakt in de klemtoonpatronen voor verschillende soorten uitdrukkingen, terwijl kinderen zonder taalstoornis dit wel deden.

Naar boven


5. Literatuur

Abdalla, F., & Crago, M. (2008). Verb morphology deficits in Arabic-speaking children with specific language impairment. Applied Psycholinguistics, 29(02), 315-340.

Azab, S. N., & Ashour, H. (2015). Studying some elicited verbal prosodic patterns in Egyptian specific language impaired children. International journal of pediatric otorhinolaryngology, 79(1), 36-41.

Guella, N. (2010). On relative clause formatiom in Arabic dialicts of the Maghreb. Synergies, 7. 101-110.

Harrell, R.S. (1961). A short reference grammar of Moroccan Arabic. Michigan, America: Georgetown University.

Hoogland, J. (1996). Marokkaans Arabisch: een cursus voor zelfstudie en klassikaal gebruik. Bulaaq: Amsterdam.

Mol, van, M. (1983). Marokkaans Arabisch voor Nederlandstaligen: Basisboek. 2e druk. Bohn, Scheltema & Holkema: Antwerpen – Deventer.

Omar, M. K., & Nydell, M. K. (1973). The acquisition of Egyptian Arabic as a native language. Georgetown University Press.