Door Lisa Gosker, Lauri Sanders

0. Praktische informatie voor taalonderzoek


Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer
In het Egyptisch Arabisch zijn een aantal kenmerken die verschillen van het Nederlands, waardoor transfer naar het Nederlands te verwachten is. Het ligt in de lijn der verwachting dat de onderstaande punten zouden kunnen voorkomen bij tweetalige kinderen die geen TOS hebben:

  • Het weglaten van het onderwerp of object. Deze zijn in het Egyptisch Arabisch verwerkt in het werkwoord en hoeven niet expliciet genoemd te worden.
  • Het foutief toekennen van geslacht door middel van een aanwijzend voornaamwoord of lidwoord zou ook kunnen voorkomen. In het Arabisch zijn alle zelfstandig naamwoorden voorzien van een geslachtskenmerk. Er kan aan elk woord gehoord worden of een woord vrouwelijk of mannelijk is. In het Nederlands is dit anders. Het Arabisch maakt geen onderscheid tussen geslacht in lidwoordgebruik. Het heeft slechts één bepaald lidwoord dat ook op plaatsen gebruikt wordt waar in het Nederlands geen bepaald lidwoord geschreven wordt. De vorming van het onbepaald lidwoord gaat heel anders, letterlijk zegt men 'één de man' waar we in het Nederlands 'een man' zeggen.
  • De keuze van een relatief voornaamwoord zou ook moeilijk kunnen zijn, omdat het Egyptisch maar één woord kent en het Nederlands veel meer (denk aan: ‘wie, welke, die, dat, wat').
  • Het verwarren van klanken kan voorkomen. In het Egyptisch zijn er een aantal emfatische klanken. In het Nederlands kennen we deze klanken niet. Wanneer een kind een emfatische klank gebruikt, klinkt de uitgesproken klank wat doffer. Het kind moet dan wellicht nog leren dat deze klank niet tot het Nederlands behoort. Het gaat hier om de letters: /s/ /t/ /d/ /l/ en /z/.
  • Kinderen met Egyptisch als eerste taal kunnen moeilijkheden ondervinden in woorden waar meer dan 2 consonanten na elkaar komen. In het Egyptisch komt dit niet voor. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat dit te maken heeft met een spraakstoornis, maar zal eerder toe te schrijven zijn aan transfer.

Geen transfer
Er zijn ook problemen die voor kunnen komen, die niet ten grondslag liggen aan transfer, maar vaak wel als een gevolg van transfer gezien worden:

  • Vaak wordt bij het leren van het Nederlands de keelklank /g/ moeilijk bevonden, waarschijnlijk doordat deze klank niet in veel talen voorkomt, zoals deze in het Nederlands voorkomt. Het Arabisch daarentegen heeft meerdere keelklanken, waaronder ook de /g/ zoals hij in het Nederlands geproduceerd wordt. Wanneer de /g/ klank niet goed uitgesproken wordt, dan ligt dit waarschijnlijk niet aan transfer, maar ligt er een andere oorzaak ten grondslag.


Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementen
Kinderen die Arabisch leren hebben al heel vroeg de verbuiging van het geslacht bij adjectieven verworven, al voor het derde levensjaar is dit bekend. Er zou dus kunnen worden gevraagd of het geslacht van adjectieven goed wordt verbogen met betrekking tot het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort. (Zijn adjectief en zelfstandig naamwoord allebei bepaald, van hetzelfde geslacht en van hetzelfde getal?)

Kinderen met TOS zullen in het geval van het Arabisch vaker werkwoorden of zinnen gebruiken waarin geen tijdsaanduiding aanwezig is. In het Arabisch wordt het werkwoord dat tijd hoort te bevatten, vervangen door een imperatief (vaak mannelijk). Er kan dus gevraagd worden of het kind veelvoudig een imperatief gebruikt, waar een zin met tijdsaanduiding aanduiding verwacht kan worden.

In de derde persoon enkelvoud kunnen fouten bij kinderen met een TOS verwacht worden. Uit eerder onderzoek bleek dat Arabische kinderen met TOS vooral de derde persoon vrouwelijk vervingen door derde persoon mannelijk. Wanneer de 3e persoon mannelijk fout gedaan werd, dan werd er vaak een 1e persoon enkelvoud geproduceerd. Er zou gevraagd kunnen worden of het kind problemen heeft met de productie van de 3e persoon (hij/zij) en dan vooral met de vrouwelijke. Als er daarnaast ook fouten voorkomen in de tweede persoon, dan zou dit kunnen wijzen op TOS. In de eerste persoon enkelvoud worden weinig tot geen fouten verwacht.

Ook kunnen kinderen met TOS in het Arabisch problemen ondervinden met betrekking tot de prosodische vaardigheden, waardoor zij bijvoorbeeld in vraagzinnen geen vraag-intonatie gebruiken. Ook hiernaar zou gevraagd kunnen worden. De woordvolgorde van een ja/nee vraag is namelijk hetzelfde.

Andere vragen die nog gesteld kunnen worden zijn:
- Zijn de zinnen grammaticaal?
- Maakt het kind zinnen waarin het onduidelijk is over wie of over wat het gaat? (weglaten van onderwerp/object)
- Past het kind de bijvoeglijke naamwoorden aan op de zelfstandig naamwoorden op geslacht, bepaaldheid en aantal?
- Gebruikt het kind een lidwoord wanneer dit nodig is?
- Staan de werkwoorden in de juiste tijd?
- Worden de meervouden van werkwoorden als meervouden geproduceerd? Of gebruikt het kind misschien het enkelvoud?
- Maakt het kind de ontkenning goed?
- Gebruikt het kind werkwoorden waarin het object ook aanwezig is? (vergevorderd stadium)

Onderzoek in de moedertaal
Het is mogelijk met behulp van de app Speakaboo onderzoek te doen naar de articulatorische ontwikkeling van kinderen die Egyptisch-Arabisch spreken (2 tot 6 jaar). Zie informatie over dit diagnostisch instrument op de pagina Diagnostische materialen. Voor het gebruik van deze app heeft de logopedist of linguïst geen kennis van het Arabisch nodig.

1. Algemene informatie over het Egyptische Arabisch
Het Egyptisch Arabisch behoort tot de Semitische taalfamilie en wordt gekarakteriseerd door het wortel-systeem, waarmee woorden uit verschillende klassen gevormd kunnen worden. Hierover meer bij Morfologie.
Alle Arabisch sprekende landen hebben te maken met diglossie, zo ook Egypte. Dit betekent dat er een tweedeling is waarbij twee talen naast elkaar voorkomen in verschillende situaties in het land. In formele situaties en in de media wordt het Modern Standaard Arabisch (MSA) gebruikt. Het MSA is dan ook de officiële taal van Egypte. In informele situaties wordt de dialect variant gebruikt. Kinderen leren thuis het informele dialect. Wanneer zij naar school gaan, zullen ze het MSA leren.
Het Egyptisch dialect is een beroemd dialect. Dit komt doordat dit dialect vaak gebruik wordt in de grote Arabische films en series die onder andere tijdens de Ramadan in de Arabische landen worden uitgezonden. Vaak kunnen sprekers van andere dialecten van het Arabisch dan ook Egyptenaren verstaan, andersom is dit vaak niet het geval.

Schrift
Ondanks dat het MSA de officiële schrijftaal is, wordt er soms toch geschreven in het dialect, wanneer er bijvoorbeeld een snelle notitie gemaakt wordt, of lijstjes worden gemaakt. Er zijn geen schrijfregels voor het dialect, dit zorgt ervoor dat woorden uit het dialect op verschillende manieren geschreven worden. Wanneer men in het MSA schrijft, schrijft men geen klinkers, in de dialecten (en ook in MSA) kunnen klinkers wel toegevoegd worden om een tekst beter leesbaar te maken.

Naar boven


2. Taalspecifieke kenmerken van het Egyptisch Arabisch


Omar & Denyll (1973) hebben in hun boek heel goed beschreven hoe het Egyptisch Arabisch geleerd wordt door een moedertaalspreker. Zij hebben onderzoek gedaan naar hoe de taalontwikkeling verloopt en wat de kenmerken zijn van het Egyptisch Arabisch. Het grootste gedeelte van de kennis over het Egyptisch Arabisch is dan ook verkregen met behulp van dit boek.

Fonologie

De fonologie van het Egyptisch Arabisch is beschreven in tabel 1.
fonologie2.jpg

Bron: Omar & Nydell (1973).

Onbekende klanken voor het Nederlands:
Het Egyptisch kent veel emfatische consonanten, dit zijn, in het schema, de letters met een punt onder de letter. Deze klanken worden doffer uitgesproken dan de niet-emfatische variant. Het Nederlands kent deze emfatische letters niet.
Ook komt er een stemband-klik voor in de spraak.
De /w/ wordt in het Egyptisch anders uitgesproken dan in het Nederlands. Deze klinkt meer als een Surinaamse /w/ (gevormd met beide lippen).
Ook kent het Egyptisch een affricaat. Deze wordt uitgesproken als de Engelse /j/ in het woord 'jeans''.

Het Egyptisch wordt gekenmerkt door zijn strakke syllabestructuur.Er kunnen niet meer dan twee consonanten na elkaar voorkomen in de spraak.
Dit maakt het voor Egyptenaren moeilijk om sommige Nederlandse woorden uit te spreken, te denken aan "Amsterdam". Dit zal vaak uitgesproken worden als 'Ammisterdam'.

Bekende klanken voor het Nederlands:
Het Egyptisch maakt net zoals het Nederlands gebruik van keelklanken. De letter /g/ zoals deze in het Nederlands uitgesproken wordt, zal waarschijnlijk ook geen probleem zijn.
Hierboven hebben we het gehad over de emfatische letters, de niet-emfatische varianten van deze letters zijn geen probleem.
De /š/ is ook een bekende klank in het Nederlands door de invloed van het Engels, denk hierbij aan de eerste s-klank in het woord 'chips'.

Klinkers:
Het Egyptisch kent 4 klinkers, /a/, /e/ /i/, /u/ . Alle hebben zij een korte en een lange variant. Wanneer de /a/ (of lange a) niet voor of na een emfatische klank staat, wordt deze uitgesproken als een Nederlandse /èè/. Als er wel een emfatische klank in de buurt staat, wordt de uitspraak meer achter in de mond uitgesproken. De /e/ klinkt zoals de Nederlandse /i/ in "mis". De lange /e/ klinkt zoals de Nederlandse lange /e/ in breed. De /u/ kan klinken als een /o/ in de omgeving van emfatische klanken. Wanneer er geen emfatische klank voor of na staat, wordt de klinker uitgesproken als een /oe/. De lange /u/ wordt uitgesproken als een lange /oe/. De /i/ en lange /i/ worden zoals in het Nederlands uitgesproken, respectievelijk als in "vis" en "vies".

Morfologie
Zoals eerder aangegeven, heeft het Egyptisch Arabisch een wortel-systeem. Woorden die aan elkaar gelinkt zijn, bevatten dezelfde radicalen (medeklinkers) in dezelfde volgorde. Dit zijn 3 of vier letters die de stam vormen van het woord. Door het patroon van vocalen, of door prefixen, infixen en suffixen toe te voegen, worden gerelateerde woorden gevormd. Dit gebeurt volgens een vast patroon, waarbij er vaste stammen zijn ontwikkeld. Een voorbeeld volgt hieronder met de radicalen K-T-B:

KiTāB - boek;
maKTaBa - bibliotheek;
KāTiB – schrijver.

Overal komen de 3 radicalen in dezelfde volgorde terug, alleen zijn er klinkers verwisseld of is er een prefix toegevoegd. Zoals hierboven al aangegeven is, zijn er vaste stammen. Dit betekent dat dezelfde combinatie van klinkers zorgt voor een zelfde woordsoort. Bijvoorbeeld met de radicalen R-K-B, wanneer een a en i op dezelfde plaats wordt ingevoegd, komt er weer een persoon uit die de actie uitvoert net als bij de schrijver:

RāKiB – rijder/bestuurder.

Zelfstandig naamwoorden
Het Egyptisch Arabisch heeft een rijk systeem van inflexie. Zelfstandig naamwoorden, adjectieven, werkwoorden, persoonlijke voornaamwoorden moeten verbogen worden, om de juiste congruentie te hebben (Omar, 1973).
De uitgang van het zelfstandig naamwoord kan een voorspeller zijn of een woord mannelijk of vrouwelijk is. Wanneer een woord vrouwelijk is, eindigt het bijna altijd op een /a/. Echter, er zijn ook gevallen van mannelijke woorden die op een /a/ eindigen en vrouwelijke woorden die niet op een /a/ eindigen. Andere kenmerken die zijn af te lezen van het zelfstandig naamwoord zijn het getal (of het enkelvoud, tweevoud of meervoud is) en de bepaaldheid (of het bepaald of onbepaald is). Voor het meervoud zijn er een aantal vaste patronen, maar veel woorden worden onregelmatig vervoegd in het meervoud. Deze zijn erg complex en moeten daarom vaak onthouden worden. De bepaaldheid kan worden gezien door de aanwezigheid of afwezigheid van het lidwoord.

Adjectieven
Een adjectief wordt aangepast aan het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort. Bij de adjectief wordt dus het geslacht, de bepaaldheid en het aantal (enkelvoud of meervoud) aangepast aan het zelfstandig naamwoord.
Bij vergelijkingen gaat het anders. Door het prefix ˀa- voor het adjectief te plakken wordt een comparatief gevormd. Hierdoor verandert ook vaak het klinkerpatroon. Er zijn ook adjectieven die niet kunnen worden vervormd voor een comparatief. Deze adjectieven krijgen het woord voor ‘meer’ in het Egyptisch achter het adjectief te staan. Wanneer de overtreffende trap gevormd wordt, wordt het lidwoord aan de comparatief geplakt.

Werkwoorden
Het systeem van werkwoorden is nog iets gecompliceerder. In het werkwoord, is naast geslacht en aantal ook de persoon besloten. Het Egyptisch Arabisch is namelijk een pro-drop taal, wat betekent dat de persoon besloten is in het werkwoord en zelfs het object kan hierin besloten worden. Wanneer het onderwerp toch genoemd wordt, dan wordt er nadruk gelegd op de persoon, als in: "Hij, hij werkt in de fabriek".
Het Egyptisch kent geen infinitief. Er kan wel aan het werkwoord gehoord worden in welke tijd de zin staat. In tabel 2 staat hoe de verschillende vormen gevormd worden.

Tabel 2
schema vervoegingen.jpg
De tijden in het Arabisch kunnen dus niet gezien worden als tijden alleen, maar meer als aspecten, omdat er ook gekeken wordt naar continuïteit en gewoonte.

Persoonlijke voornaamwoorden
De persoonlijke voornaamwoorden worden gekozen op basis van persoon, getal en bij de 2e en 3e persoon enkelvoud ook op basis van geslacht.

Relatieve voornaamwoorden
In het Egyptisch is er één relatief voornaamwoord /ˀilli/ hiermee wordt een relatieve zin geïntroduceerd. In het Nederlands vergelijkbaar met ‘wie, wat, welke, dat, die’.
Er zijn in het Egyptisch 3 aanwijzende voornaamwoorden, een voor het mannelijk, een voor het vrouwelijk en een voor het meervoud.

Syntaxis
zinsvolgorde
In het Egyptisch zijn er 3 hoofdsoorten in de zinsvolgorde. Er zijn 2 soorten nominale zinnen, die allebei een andere volgorde hebben en er is een verbale zin.

Een van de soorten nominale zinnen begint met een zelfstandig naamwoord en bevat ook een werkwoord. Eigenlijk zoals het in het Nederlands ook wordt gevormd:
Anna werkt (vr. 3e ev) in de tuin.

De tweede soort nominale zin is gevormd uit een subject met predicaat. Het werkwoord is onzichtbaar in deze zin. Het wordt ook wel een equationele zin genoemd. Het afwezige werkwoord betekent altijd een vorm van zijn in het heden. Bijvoorbeeld: De man is groot. In het Egyptisch is ‘is’ niet zichtbaar.
Anna groot (=Anna is groot)

In de verbale zin wordt er begonnen met een werkwoord, waarbij er in het werkwoord duidelijk gemaakt wordt over welke persoon het gaat. Het onderwerp wordt dus niet expliciet genoemd. Zelfs het object kan in het werkwoord worden verwerkt. En het object wordt dan ook niet meer expliciet genoemd.
Werken (1e pers. mv) in de tuin.(-we werken in de tuin)
geeft (sub: mnl. 3e pers. ev. & obj: vr. 3e pers. ev.) een boek. (= hij geeft haar een boek.)

Negatie
Een ontkenning kan gevormd worden door /miš/ of door de affixatie van ma ...š aan een woord toe te voegen.

Bevraging
Gesloten (ja/nee) vragen worden gevormd door de verklarende zin uit te spreken met een rijzende intonatie.
Voor andere vragen zijn er vraagwoorden die zowel aan het eind of aan het begin kunnen voorkomen.
In prepositionele zinnen gelden andere ingewikkelde regels.

Lidwoorden
Het Egyptisch Arabisch kent één lidwoord. Dit lidwoord wordt gebruikt om een zinsdeel (zie genitief constructie hier onder) of woord bepaald te maken. Het is een prefix en wordt vast geschreven aan het woord waar het bij hoort. Afhankelijk van de eerste klank van het woord waar het lidwoord bij hoort, verandert de eerste consonant van het lidwoord mee (assimilatie). Het lidwoord kan voor een zelfstandig naamwoord maar ook voor een adjectief komen. Het adjectief past zich, zoals hierboven te lezen is, aan aan het zelfstandig naamwoord. Er bestaat geen onbepaald lidwoord in het Arabisch. Wanneer een onbepaald lidwoord in het Nederlands gebruikt wordt (een man), gebruikt men in het Arabisch de constructie 'één de man'.

Genitief-constructie
Het Arabisch kent de genitief-constructie om bezit aan te duiden. Het deel van de constructie dat bepaald is, is de eigenaar van het onbepaalde gedeelte van de constructie. “De deur van het huis” wordt in het Arabisch gevormd door “deur het huis”.

Samengestelde zinnen
Net als in het Nederlands, kent het Arabisch ook samengestelde zinnen. Ook hier komt nevenschikking en onderschikking voor. Nevengeschikte zinnen zijn gelijk in syntactische rang (Haiman & Thompson, 1984). Deze zinnen worden aan elkaar gevoegd door een voegwoord. Voorbeelden hiervan in het Arabisch zijn /wi/ 'en', /aw/ 'of', en /laakin/ 'maar' (Abdel-Massih, 1979). Ondergeschikte zinnen zijn niet gelijk in rang en zijn aan een hoofdzin gevoegd. Een ondergeschikte zin kan niet alleen staan, omdat het geen volledige zin is. Een ondergeschikte zin vormt altijd met de hoofdzin de volledige zin. (Haiman & Thompson, 1984).

Ondergeschikte zinnen
Binnen een ondergeschikte zin, zijn er bepaalde afhankelijkheden/regels tussen het predikaat (gezegde) en de matrix (de hoofdzin en bijzin samen) en tussen de syntactische structuur en de bijzin. Zo worden betrekkelijk voornaamwoorden gebruikt, om de ondergeschikte zin te verbinden aan de hoofdzin. Er wordt van twee losse zinnen, één zin gemaakt.
(Haiman & Thompson, 1984).

Ik ben naar New York geweest.
Mijn zus woont daar.
Ik ben naar New York geweest, waar mijn zus woont.

Anders dan in het Nederlands kan het werkwoord in de ondergeschikte zin weggelaten worden, dit hoeft overigens niet.
Zo is het mogelijk om te zeggen:

Ana kalt lakin huwwa ma-kalsh
Ik at, maar hij at-niet.

De werkwoorden /kan/ 'was' en /ba?a/ 'is geworden' worden nooit in een bijzin weggelaten. In het Arabisch hebben deze werkwoorden geen betekenis van zichzelf (Anwar, 1979).

Eerder hierboven aangegeven is dat er in het Egyptisch Arabisch één relatief voornaamwoord is: /ˀilli/. Dit voornaamwoord wat vertaald kan worden als 'wie, wat, welke, dat', wordt gebruikt om een bijzin aan een hoofdzin te voegen.

Ir-raagil illi xaarig
De-man die uitgaat

In het Egyptisch Arabisch wordt in de bijzin het onderwerp gemarkeerd.

Aho ir-raagil illi shaaf il-Hadsa
Letterlijke vertaling: Hier-is de-man die zag het-ongeluk
Hier is de man die het ongeluk zag

Naast het voornaamwoord /ˀilli/, wordt ook het complement /inn/ 'dat' gebruikt, om zinnen aan elkaar te plakken.

Iftakart innaha ma-kanitsh mabsuuta
Letterlijke vertaling: Ik dacht dat-zij was-niet gelukkig
Ik dacht dat zij niet gelukkig was

Ook wordt het complement /koon/ 'zijn' gebruikt. Dit complement wordt vaak samen met het woord /inn/ gebruikt en mag ook vervangen worden door het woord /inn/. Andersom geldt dit niet, het woord /inn/ mag nooit vervangen worden door het woord /koon/.
Andere voorkomende woorden die gebruikt worden zijn 'ashan' en 'la'. Deze woorden kunnen het best vertaald worden als 'als'. 'Ashan' kan ook gebruikt worden als 'omdat' (Jelinek, 1980).

Er is geen sprake van inversie bij ondergeschikte zinnen in het Egyptisch Arabisch (zowel de hoofdzin als de bijzin behouden de standaard woordvolgorde, met inbegrip van prodrop).

Pragmatiek
Het Arabisch maakt gebruik van een directe vorm van verzoeken doen. Als men in het Nederlands vraagt om een brood bij de bakker dan vraagt men dat met een beleefdheidsvorm bijvoorbeeld “Zou ik alstublieft dat brood mogen hebben?”. Het Arabisch is daarin veel directer. Men zegt bijvoorbeeld: “Geef mij dat brood”. Wanneer Arabisch-sprekende kinderen dit letterlijk vertalen naar het Nederlands kan dat onbeleefd overkomen.


Naar boven


3. Verwervingsfases van het Egyptisch Arabisch


Ontwikkeling Fonologie

Tabel 4
klinker verwerving2.jpg
In tabel 4 (Omar & Nydell, 1973) is een korte samenvatting van de verwerving van het fonologisch systeem te zien.
Als eerst worden de klinkers /a/ /i/ en /u/ verworven. Daarna ook de medeklinkers zoals aangegeven in de tabel.
Ongeveer vanaf 3 jaar leert het kind ook diftongen te gebruiken. De verwerving van de moeilijkste consonantclusters duur tot ongeveer 5 jaar.


Ontwikkeling morfologie
Vanaf de éénwoordfase komen er woorden voor die een inflectie nodig zouden moeten hebben. Echter, dit gebeurt niet vanaf het begin. De morfologie van kinderen die jonger zijn dan 2 jaar wordt gekarakteriseerd door niet verbogen woorden. Werkwoorden die niet verbogen zijn, zijn imperatieven. Deze worden gebruikt wanneer de inflectie nog niet geleerd is. Vanaf 2 – 2,5 jaar, wanneer het kind in de meerwoordfase beland is, heeft het kind de eerste eenvoudige inflecties al geleerd.
Sommige woorden komen al eerder met inflectie voor. Echter de kinderen hebben het dan nog niet door dat zijn een woord hebben gemaakt met inflexie. Dit zal eerder te maken hebben met imitatie dan met het opzettelijk willen gebruiken van inflectie. Het gaat hier om frases zoals /hati/ wat “geef mij” betekent.
Ook gebruiken jonge kinderen in sommige gevallen, waarschijnlijk ongemerkt, possessieve affixen, wanneer het gaat om papa of mama. Kinderen kennen geen verschil tussen ‘mijn papa’ of ‘papa’. Wanneer /ya/ of /i/ achter een zelfstandig naamwoord wordt gezet, geeft dit possessief aan. /abu/ betekent vader en /abuya/ betekent mijn vader.
Vanaf het moment waarop de meerwoordfase bereikt is leert het kind al snel de eerste inflecties. Het gaat hier bijvoorbeeld om de possessief van de eerste persoon (in het Nederlands ‘mijn’) en ook de inflectie van werkwoorden van de eerste persoon. Ook worden vaak de inflecties van de imperatief geleerd voor de vrouwelijke imperatief (aangezien de mannelijke imperatief de onvervoegde vorm, ook wel ‘default’ is).

De regelmatige inflecties worden als eerst geleerd, en worden vaak overgegeneraliseerd op onregelmatige vormen. De regelmatige vormen voor adjectieven zijn meestal geleerd rond het derde levensjaar. De onregelmatige vormen bij een leeftijd van 5.
Regelmatige inflecties voor meervouden van zelfstandig naamwoorden en het gebruik van meervouden met een aantal getallen (het getallen systeem is in het Egyptisch erg lastig) is ook verworven rond het derde levensjaar. De inflecties van de dualis, het tweevoud, en de meeste onregelmatige meervouden van het zelfstandig naamwoord zijn verworven tussen de 5 en 6 jaar. Echter komen er zelfs nog fouten voor bij kinderen van 13-15 jaar in de onregelmatige meervouden van de zelfstandig naamwoorden, juist omdat ze erg complex zijn.
Het geslacht van adjectieven wordt al heel vroeg goed gedaan en is al verworven voor het 3e levensjaar. Echter wordt het getal nog lang fout gedaan. Tot in ieder geval de leeftijd van 3,5 gebruiken kinderen een enkelvoudsvorm van het adjectief, terwijl het zelfstandig naamwoord waarbij het hoort, in meervoud staat. Vanaf 3,5 leren kinderen begrijpen dat er een meervoudsvorm van het adjectief moet worden gebruikt in sommige gevallen, waarna ze deze gaan overgeneraliseren. Voor het vierde levensjaar wordt echter ook dit kenmerk van het adjectief beheerst.


Ontwikkeling syntaxis
Net als in het Nederlands en ook bij veel andere talen, begint de éénwoordfase in het Egyptisch om en nabij de leeftijd van 12 tot maximaal 18 maanden. Vanaf 18 tot 24 maanden begint het kind met het combineren van twee woorden. De volgorde van dit combineren van woorden is niet willekeurig, maar is al in de volgorde van de taal die het kind leert. Hierna komt de telegramstijl, waarbij drie woorden met elkaar worden gecombineerd. Dit wordt ook wel de vroege syntactische fase genoemd.
In de fase die hierna komt, dat kan al vanaf 2 jaar en 8 maanden, beginnen kinderen met het combineren van meer dan 3 woorden. In deze fase worden de negatie-elementen en vraagwoorden toegevoegd aan de al bekende zinnen. De eerste negatie wordt gemaakt door /mish/ voor het deel te zetten dat ontkend moet worden. De eerste vraagzin werd gemaakt door de vraagwoorden toe te voegen aan zinnen. Later worden pas vraagwoorden in prepositionele frasen en een andere methode om te ontkennen gebruikt. Deze worden tussen het vierde en vijfde levensjaar verworven. Bij de leeftijd van 3,5 worden alle types van negaties gebruikt.
Kinderen hebben de neiging om zo simpel mogelijke zinnen te creëren, wat betekent dat de kinderen vooral inhoudswoorden, als zelfstandig naamwoorden en actieve werkwoorden, produceren en de functiewoorden veel minder gebruiken wanneer ze niet nodig zijn voor het begrip van de zin. Denk daarbij ook aan het weglaten van subjecten die niet nodig zijn, omdat het Egyptisch Arabisch een pro-drop taal is.
De woordvolgorde in het Arabisch is vrijer dan in het Nederlands, waardoor ook in de kindertaal een vrije woordvolgorde voorkomt.
Omdat er in de Egyptische woordvolgorde minder strikte regels zijn, komen er in de kindertaal veel minder fouten voor dan in bijvoorbeeld het Nederlands.

Samenvatting van verwerving

Tabel 4 (eigen vertaling van Omar & Nydell, 1973)
samenvatting ontwikkeling.jpg
Bron: Omar & Nydell (1973)


Naar boven


4. Specifieke taalstoornissen in het Egyptisch Arabisch
Abdalla & Crago (2008) deden onderzoek naar de werkwoordmorfologie van Arabisch-sprekende kinderen met en zonder TOS in het UHA, het Arabisch dat gesproken wordt in Saudi-Arabië. Uit hun onderzoek bleek dat de kinderen met TOS veel meer fouten maakten in de werkwoordsmorfologie dan kinderen zonder TOS. Het bleek dat er veel fouten werden gemaakt met oog op congruentie. Het geslacht, getal, tijd of persoon werden vaak verkeerd gedaan. Echter, het bleek wel dat kinderen met TOS vaak maar één van de drie fout deden. Dus wanneer er een fout gevonden was in getal, werd niet ook nog de tijd fout gedaan. Kinderen met TOS produceerden vaak werkwoordsvormen waar geen tijd aanwezig was, zoals in de imperatief. Ook vervingen ze vaak vrouwelijke vormen voor het mannelijke alternatief en werden meervouden vaak als enkelvoud geproduceerd. Ook bleek de MLU lager te zijn dan die van leeftijdsgenoten zonder TOS.

Azab & Ashour (2015) deden onderzoek naar de prosodische vaardigheden van Egyptisch Arabisch sprekende kinderen met TOS. Uit hun studie bleek dat de prosodische vaardigheden van kinderen met TOS uit hun onderzoek minder goed ontwikkeld waren. De kinderen gebruikten minder intonatiepatronen voor verschillende soorten zinnen. Ook gebruikten ze geen beklemtoning om dingen te benadrukken. Als kinderen met TOS hinder ondervinden van het niet-begrijpen van intonatie dan zou dit ook een oorzaak kunnen zijn van de taalstoornis. Zij kunnen dan minder informatie halen uit de spraak dan normaal ontwikkelende kinderen.

Kort samengevat: Uit eerder onderzoek (Abdalla & Crago, 2008; Azab & Ashour, 2015) zijn de volgende punten naar voren gekomen over TOS in het Arabisch:

- Kinderen met TOS scoorden lager op aanduiden van tijd in de zin; In de meeste gevallen werd een imperatief (tijdloze vorm) gebruikt in plaats van een vorm met tijd.

- Kinderen met TOS maakten veel fouten in de derde persoon tegenwoordige tijd, in de tweede persoon tegenwoordige tijd werden iets minder fouten gemaakt, en de eerste persoon tegenwoordige tijd ging helemaal goed.

- De vrouwelijke vorm van het werkwoord werd heel vaak niet gevormd, wanneer deze wel vereist is. Vaak werd de mannelijke vorm dan gebruikt. Dit gebeurde ook bij de imperatief.

- De MLU is was lager dan die van kinderen zonder TOS. Kinderen met TOS van 4-5 jaar werden op MLU gematcht met kinderen die 2 jaar waren.

- De prosodische vaardigheden van kinderen met TOS zijn waarschijnlijk minder goed ontwikkeld. Er werd door de kinderen met TOS geen verschil gemaakt in de klemtoonpatronen voor verschillende soorten uitdrukkingen, terwijl kinderen zonder taalstoornis dit wel deden.

Voorbeelduitingen
In 3a, 4a, 6a en 7a de fouten die kinderen met een TOS maakten in het Egyptisch-Arabisch, in 3b, 4b, 6b en 7b de doelzinnen. Leeftijd per uiting vermeld.
1.png
2.png

Bron: Abdalla en Crago (2008).

Naar boven



5. Literatuur


Abdalla, F., & Crago, M. (2008). Verb morphology deficits in Arabic-speaking children with specific language impairment. Applied Psycholinguistics, 29(02), 315-340.

Abdel-Massih, Ernest T., Zaki N. Abdel-Malek, El-Said M. Badawi, & E.N. McCarus (1979). A Comprehensive Study of Egyptian Arabic. Vol. 3. Center for Near Eastern and North African Sstudies, University of Michigan, Ann Arbor.

Azab, S. N., & Ashour, H. (2015). Studying some elicited verbal prosodic patterns in Egyptian specific language impaired children. International journal of pediatric otorhinolaryngology, 79(1), 36-41.

Haiman,J., & Thompson, S.A. (1984).’Subordiantion in Universal Grammar. Proceedings on the Tenth Annual Meeting of the Berkeley Linguistics, 10, 510-523.

Jelinek, M.E. (1980). On Defining Categories: AUX and PREDICATE in Colloquial Egyptian Arabic (Proefschrift).

Omar, M. K., & Nydell, M. K. (1973). The acquisition of Egyptian Arabic as a native language. Georgetown University Press.