Beschrijving van de protocollen die de verschillende audiologische centra in Nederland hanteren bij de taalanalyse van meertalige kinderen
door Birthe Kuiper

Introductie

Wanneer een kind weinig woorden kent, moeite heeft om op een woord te komen, hij/zij veel fouten maakt bij het maken van zinnen, kunnen dit signalen zijn voor een taalontwikkelingsstoornis. Mocht dit het geval zijn, dan geldt: hoe eerder begonnen wordt met de behandeling hoe effectiever. Dit omdat de taalspraakontwikkeling van kinderen het sterkst is tot het zevende levensjaar. Wanneer voor die tijd hulp wordt gezocht, is er winst te behalen en kan voorkomen worden dat achterstanden zich uitbreiden. Er zijn in Nederland tal van audiologische centra waar men terecht kan voor onderzoek wanneer aan een taalontwikkelingsstoornis gedacht wordt. Dit onderzoek ligt iets gecompliceerder wanneer een kind meer dan één taal spreekt. In Nederland groeit een grote groep van de kinderen op met naast het Nederlands nog een tweede taal. Hoe verloopt de taalanalyse bij meertalige kinderen?
In de zoektocht om een antwoord te krijgen op deze vraag heb ik contact opgenomen met de grote en middelgrote audiologische centra in Nederland. Verschillende antwoorden kwamen naar voren. Zo bleek dat niet alle audiologische centra een vast protocol hebben voor het analyseren van taal bij meertalige kinderen. Ze gaven aan vaak gebruik te maken van een tolk, maar dat dit niet vast staat in een protocol. Een aantal audiologische centra gaven aan de richtlijnen van de FENAC (Federatie van Nederlandse Audiologische Centra) te hanteren. Naar aanleiding hiervan heb ik contact gezocht met de FENAC om een beeld te krijgen van de richtlijnen omtrent taalanalyse. Dit beeld is nog niet compleet. De Fenac heeft een protocol opgesteld genaamd: ‘Multidisciplinaire Diagnostiek bij Taal-/Spraakproblemen’, maar hoe er gehandeld wordt bij meertalige kinderen wordt maar summier beschreven (zie onder punt 2 op deze pagina). Een duidelijker richtlijn komt van Mirjam Blumenthal en deze richtlijn heet ‘Multidisciplinaire (spraak en taal)diagnostiek van meertalige kinderen’. In deze richtlijn staat meertaligheid centraal. Zie hieronder bij "Richtlijn Multidisciplinaire (spraak en taal)diagnostiek van meertalige kinderen" (onder (1). Tenslotte wordt nog weergegeven, bij (3) welke procedure wordt gehanteerd bij het Audiologisch Centrum van het VUmc.

(1) Richtlijn ‘Multidisciplinaire (spraak en taal)diagnostiek van meertalige kinderen’

Ook Mirjam Blumenthal kan meer informatie geven omtrent dit onderwerp. Mirjam Blumenthal is onderzoeker bij de Koninklijke Kentalis. Dit is een organisatie die gespecialiseerd is in diagnostiek, zorg en onderwijs voor mensen met beperkingen in horen of communiceren. Blumenthal heeft een richtlijn opgesteld die een manier weergeeft om taaldiagnostiek bij meertalige kinderen aan te pakken. Blumenthal stelt in haar richtlijn dat meertaligheid niet als een oorzakelijke factor van taal- en spraakstoornissen gezien kan worden, maar wel dat het een complicerende factor is bij de diagnostiek ervan. Op grond hiervan moet onderscheid gemaakt worden tussen een taalstoornis en een taalachterstand in de ontwikkeling van het Nederlands, t.o.v. Nederlandstalige kinderen.
Om meertalige kinderen te onderzoeken op een spraak- en/of taalstoornis moeten er een paar aanpassingen gemaakt worden in de manier waarop het kind wordt onderzocht in vergelijking met een kind dat alleen Nederlands spreekt. ˗ Bij de gesprekken met ouders die slecht of matig Nederlands spreken moet een officiële tolk gebruikt worden. ˗ Als uit de anamnese blijkt dat het kind meerdere talen regelmatig hoort en spreekt dan moet de taalontwikkeling van het kind ook in andere taal of talen dan het Nederlands onderzocht worden. ˗ Bij het uiteindelijke verslag moeten de bevindingen genuanceerd worden. De thuissituatie moet duidelijk beschreven worden en als gerapporteerd wordt over testresultaten moet ook vermeld worden of die test is genormeerd voor meertalige kinderen. Conclusies met betrekking tot een stoornis en/of achterstand kunnen alleen getrokken worden rekening houdend met de kwantiteit en kwaliteit van de input, en de interactiemogelijkheden die het kind per onderzochte taal heeft gehad.
Om verantwoorde diagnostiek uit te voeren heeft Blumenthal een aantal randvoorwaarden geformuleerd: ˗ meer tijd dan bij eentalige kinderen ˗ maak gebruik van een non-verbale intelligentietest ˗ vaker aanvullende diagnostiek ˗ soms verlengde diagnostiek nodig ˗ gedegen kennis van de normale en de afwijkende meertalige ontwikkeling

De gehele richtlijn ‘Multidisciplinaire (spraak en taal)diagnostiek van meertalige kinderen’ van Mirjam Blumenthal is hier te downloaden: http://www.kentalis.nl/Professionals/Onze-expertise/Spraak-en-taal/Meertaligheid/

(2) Procedure volgens FENAC

FENAC staat voor de Federatie van Nederlandse Audiologische Centra en is een van de kleinste brancheorganisaties in de gezondheidszorg. Naast onderlinge afstemming en communicatie houdt de FENAC zich bezig met ontwikkeling en verspreiding van voorlichtingsmateriaal, bij- en nascholing van AC-medewerkers en het onderhouden van de communicatie met overheid, beroepsverenigingen, cliëntenorganisaties en verwante brancheorganisaties. Meerdere audiologische centra in Nederland hebben aangegeven de richtlijnen van de FENAC te hanteren op het gebied van taalanalyse. De Fenac heeft een protocol opgesteld genaamd: ‘Multidisciplinaire Diagnostiek bij Taal-/Spraakproblemen’. In de periode 2004-2005 heeft het Expert Platform Taal en Spraak van de FENAC het KITSrapport tegen het licht gehouden van recente ontwikkelingen en waar nodig aangepast. Het protocol omvat zes uitgangspunten om de kwaliteit van de diagnostiek te waarborgen:
  1. Een kind met een duidelijke verwijzing c.q. hulpvraag betreffende taal-/ spraakproblematiek wordt in ieder geval op professionele wijze onderzocht op het gehoor, de taal- /spraakverwerving, de ontwikkeling in het algemeen en omgevingsfactoren. Bij het onderzoek naar kinderen met een taal-/spraakprobleem zijn op Audiologische Centra altijd meerdere disciplines betrokken (waaronder minimaal een audioloog, een logopedist en een psycholoog/orthopedagoog). Na elke diagnostische fase (oriënterend of differentieel) bepaalt het team de verdere voortgang van het onderzoek en het advies.
  2. De diagnostiek vindt wat tijd betreft plaats: tussen aanmelding en intake met maximaal 2 maanden; tussen intake en advies met maximaal 3 maanden. Bij uitloop door onvoorziene omstandigheden neemt het AC contact op met de ouders.
  3. De diagnostische procesvoering is inzichtelijk voor de ouders. Hiervoor wordt door FENAC/Expertplatform in samenwerking met de oudervereniging FOSS/BOSK een monitorsysteem ontwikkeld en uitgevoerd.
  4. De diagnostiek wordt zodanig uitgevoerd dat op grond hiervan concrete adviezen kunnen worden gegeven. Zo nodig wordt gericht doorverwezen naar een andere vorm van hulpverlening.
  5. Het AC wordt na de diagnostiek betrokken bij het vervolgtraject. Dit vertaalt zich concreet in het maken van afspraken over terugrapportage na doorverwijzing, over controlemomenten en evaluatie. Taal-/spraak patiënten worden in de regel teruggezien voor controle/follow up, tenzij uit bericht of rapportage blijkt dat dit niet (meer) nodig is.
  6. Kortdurende begeleiding/behandeling binnen het AC heeft een belangrijke meerwaarde als diagnostisch centrum voor taal-/spraakdiagnostiek. Specifieke en multidisciplinaire begeleiding moet tot de mogelijkheden van het AC behoren tenzij er sprake is van AWBZ-erkenning voor auditief-communicatief gehandicapten.

Ook heeft de FENAC een duidelijke omschrijving gegeven voor de doelgroep die in aanmerking komt voor onderzoek. Het gaat hier om kinderen waarbij de problemen op het gebied van de taal- en/of spraakontwikkeling het meest op de voorgrond staan, zoals bijvoorbeeld bij kinderen jonger dan drie jaar met een vermoeden van een taal- en/of spraakprobleem in hun moedertaal. Bij anderstalige of meertalige kinderen geldt wanneer er een vermoeden van een taal- en/of spraakprobleem is in hun moedertaal (bij anderstaligen) / de ta(a)l(en) die ze het best beheersen (bij meertaligen) of die na een bepaalde periode taalaanbod in het Nederlands (peuterspeelzaal, school, adoptie) meer problemen hebben met het Nederlands dan kinderen in vergelijkbare situaties.
De FENAC pleit voor multidisciplinaire diagnostiek. De kerndisciplines zijn een logopedist, een psycholoog/orthopedagoog en een audioloog. De kracht van een Audiologisch Centrum is dat dit kernteam is ingebed in een bredere multidisciplinaire omgeving van o.a. een klinisch linguïst en een maatschappelijk werker. Tevens is er rond een Audiologisch Centrum een zorgstructuur van in ieder geval een kno-arts, kinderarts, kinderneuroloog, neuropsycholoog en een geneticus en iemand het speciaal onderwijs vertegenwoordigend. In deze multidisciplinaire opzet van Audiologische Centra bewaken de professionals de inbreng vanuit hun eigen discipline, maar begeven zij zich ook dagelijks op de raakvlakken van de verschillende disciplines in gezamenlijk onderzoek en teamoverleg. Op basis hiervan kan in diagnostiek en behandeling een adequaat en gedifferentieerd zorgaanbod worden geboden.

(3) Meertalige taalanalyse bij het AC van het VUmc

Om een algemeen beeld te schetsen van de stappen die (kunnen) worden ondernomen wanneer een meertalig kind binnenkomt op aan audiologisch centrum heeft Drs. E. Bolk van het UAC VUmc hier een algemene beschrijving van gegeven in een persoonlijk contact via email:
"Wanneer er een meertalig kind aangemeld wordt, inventariseren we voorafgaand aan de afspraak (bij ons gebeurt dit schriftelijk) met welke talen het kind in aanraking komt en welke taal subjectief het beste ontwikkeld is. Als dit een andere taal is dan het Nederlands dan reserveren we een tolk om bij het onderzoek aanwezig te kunnen zijn. Er is een groep tolken die een cursus heeft gedaan m.b.t. het tolken van taaltesten, maar deze zijn niet voor alle talen beschikbaar dus soms hebben we met een tolk te maken die het voor het eerst doet. We vragen de tolk om onze testvragen zo letterlijk mogelijk te vertalen, het kind niet te helpen, etc. Of de tolk ook ingezet wordt voor het anamnesegesprek met ouders hangt af van hun eigen beheersing van het Nederlands. Bij jonge kinderen (onder de 4) nemen we Nederlandstalige testen af, waarbij de verschillende items door de tolk vertaald worden aangeboden. Op deze manier krijgen we een indruk van de taalontwikkeling in de moedertaal. Omdat de tests niet genormeerd zijn voor afname in een andere taal kunnen we alleen een indruk verkrijgen en geen exact taalniveau bepalen. Daarnaast gaan we altijd met de tolk achter het one-wayscreen zitten terwijl we de ouders in de moedertaal met het kind laten spelen. We vragen de tolk dan de uitingen van het kind exact (dus met fouten en onvolledige zinsopbouw) op te schrijven en bespreken deze dan achteraf met de tolk om een beeld te krijgen van de grammaticale ontwikkeling in de moedertaal. Bij kinderen boven de 4 wordt soms de Taaltest Alle Kinderen afgenomen (in het Nederlands), deze heeft normen voor een aantal meer-/anderstalige groepen".