Meertaligheid
Onder meertalige kinderen verstaan we hier: kinderen van wie de thuistaal een andere taal is dan het Nederlands en die bij aanvang van het basisonderwijs nog weinig tot geen Nederlands beheersen. Deze kinderen zullen doorgaans snel het Nederlands oppikken, zeker wanneer op school een duidelijk NT2-beleid wordt gevoerd, waarbij extra aandacht voor het verwerven van het Nederlands prioriteit heeft. Wanneer de verwerving van het Nederlands bij een bepaald kind langzamer lijkt te verlopen dan bij de andere kinderen die het Nederlands als tweede taal verwerven, kan het vermoeden rijzen van een taalstoornis.

Leestip: in Blumenthal (2009) wordt meertalige ontwikkeling uitgebreid beschreven, inclusief informatie over advisering aan ouders van meertalige kinderen. In het boek zijn ook een aantal vragenlijsten opgenomen die gebruikt kunnen worden om tot een goede taalanamnese te komen.

Taalstoornissen
Kinderen met een specifieke taalstoornis hebben hardnekkige problemen met de verwerving en het gebruik van taal, waar geen herkenbare oorzaak, zoals een psychiatrische stoornis, zintuiglijke handicap, een neurologisch letsel of intellectuele achterstand aan ten grondslag ligt (de Jong e.a., 2007). De stoornis kan bestaan uit problemen met begrijpen van taal en/of met produceren van taal en kan zich uiten op het gebied van articulatie, vocabulaire, morfologie, syntaxis, pragmatiek en verschillende combinaties van deze gebieden. In onderzoek en in de behandelpraktijk worden verschillende termen gebruikt (SLI – specific language impairment, ESM – ernstige spraak- en taalmoeilijkheden, TOS – taalontwikkelingsstoornis). Voor de leesbaarheid houden we in dit artikel alleen de term ‘taalstoornis’ aan.

Overdiagnose en onderdiagnose
Wanneer een meertalig kind wordt aangemeld bij een taalonderzoeker met het verzoek om te onderzoeken of hij/zij een taalstoornis heeft, zou in een ideale situatie onderzoek in de thuistaal moeten worden gedaan. Dat is de taal die vanaf de geboorte is verworven en dus het meest zuivere beeld geeft van de taalvaardigheden van het kind. Als we dit niet doen, dan bestaat het gevaar van overdiagnose en onderdiagnose. Overdiagnose vindt plaats wanneer onvolkomenheden in het Nederlands, die zijn ontstaan als gevolg van de nog niet volledige verwerving van deze taal, worden toegeschreven aan een taalstoornis. Onderdiagnose vindt plaats wanneer onvolkomenheden in het Nederlands, die zijn ontstaan als gevolg van het feit dat het kind een taalstoornis heeft, worden toegeschreven aan het feit dat het kind tweetalig is en gewoon nog wat meer Nederlands moet leren In beide gevallen zal het kind niet de begeleiding krijgen waar hij/zij het meest baat bij heeft.

Leestip: in Julien (2008) wordt de situatie rondom diagnose en behandeling van meertalige kinderen uitgebreid en zeer toegankelijk beschreven.

Wat valt op aan de taal van jonge tweedetaalleerders en kinderen met een taalstoornis?
Zowel de fouten die tweedetaalleerders maken alsook de fouten die kinderen met een taalstoornis maken, lijken erg op de uitingen van heel jonge Nederlandse kinderen. Bij heel jonge kinderen is dit onderdeel van een ontwikkelingsfase waarna zij overgaan naar de volgende ontwikkelingsfase, totdat zij het Nederlands volledig beheersen. Bij kinderen met een taalstoornis en ook bij tweedetaalleerders lijkt het soms alsof zij in een bepaalde fase blijven hangen. Een aantal bekende probleemgebieden bij beide groepen zijn:
- het uiten van korte zinnen
- moeite met morfologie (vooral werkwoordsinflectie)
- beperkte woordenschat

Voor kinderen met een taalstoornis zien we hierbij ook nog vaak het weglaten van verplichte onderdelen van een zin (bijv. het onderwerp) en een veelheid aan andere problemen (bijv. in de articulatie). Bij tweedetaalleerders zien we soms ook het weglaten van een onderdeel, maar dat betreft dan vaker het werkwoord (Bol & Kuiken, 1994). Ook zien we bij deze groep dat het lidwoord ‘de’ vaak wordt gebruikt waar ‘het’ vereist is. Bovendien is er soms sprake van interferentie: kinderen nemen elementen uit hun moedertaal over in het Nederlands. Dit leidt per taalgroep tot verschillende soorten fouten in het Nederlands. Bijkomende factor is ook nog dat beide groepen een enorme heterogeniteit in hun taalvaardigheden laten zien.

Dit alles betekent dat het lastig is om op basis van de uitkomsten van toetsen in het Nederlands, een diagnose te stellen bij een meertalig kind. In de onderzoeken die we beschrijven in de Literatuurstudie is geprobeerd deze problemen in kaart te brengen en in sommige daarvan is ook geprobeerd om te onderzoeken of er misschien toch bepaalde elementen zijn die als kernelementen voor een taalstoornis kunnen worden gezien. Als dat zo is, dan kan specifiek op die elementen in het Nederlands getoetst worden. Als er dan ook nog informatie voorhanden is waarbij deze elementen in de moedertaal getoetst/bevraagd kunnen worden (zie Informatie per taal), dan kan de combinatie van deze informatie wellicht helpen bij het stellen van een diagnose.