Fins

Auteur van deze pagina: Inge Sneekes & Jessica Leijten

0. Praktische informatie voor taalonderzoek
1. Algemene informatie over het Fins
2. Specifieke informatie over het Fins
3. Verwervingsfases in het Fins
4. Onderzoek naar taalstoornissen in het Fins
5. Slotopmerkingen en literatuurverwijzingen

0. Praktische informatie voor taalonderzoek


Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer
  • Voorzetsels en naamvallen: het Fins is, in tegenstelling tot het Nederlands, een agglutinerende taal. Hierdoor kan het voorkomen dat er uitgangen of woorden aan elkaar worden geplakt die in het Nederlands alleen als afzonderlijke woorden voor kunnen komen.
  • Lidwoorden: Fouten in lidwoorden kunnen voorkomen omdat deze in het Fins niet worden gebruikt, hierdoor kunnen lidwoorden niet of verkeerd gebruikt worden in het Nederlands.
  • Geslacht: In het Fins wordt geen onderscheid gemaakt voor geslacht, hier zouden dus fouten in gemaakt kunnen worden.
  • Werkwoord 'hebben': In het Fins wordt dit werkwoord niet gebruikt, hierdoor kan het kind moeite hebben met het gebruik van het werkwoord 'hebben'.

Bovenstaande zaken hoeven dus geenszins te duiden op een mogelijke TOS. Hieronder staan een aantal vragen, specifiek over de moedertaal Fins, die daar wel op zouden kunnen wijzen.

Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementen
  • Heeft het kind moeite met het uitspreken van bepaalde klanken?
  • Maakt het kind zinnen met de SVO volgorde (onderwerp-werkwoord-lijdend voorwerp)?
  • Heeft uw kind opvallend veel moeite met de werkwoordsvervoeging?
  • Vormt uw kind het meervoud op de juiste manier?

Voor meer informatie zie slotopmerkingen.

naar boven

1. Algemene informatie over het Fins


Taalfamilie
Het Fins (Suomi of Suomen Kieli) behoort tot de Oostzeefinse talen binnen de Finoegrische taalfamilie. Deze taalfamilies behoren weer tot de Oeraalse taalfamilie die uit ongeveer 30 talen bestaat. Het Estisch, Karelisch (in Rusland) en Hongaars zijn nauw verwant met het Fins. Van onderlinge verstaanbaarheid is echter geen sprake, dat geldt ook voor het Scandinavische Zweeds en het Slavische Russisch. De Germaanse, Slavische en Baltische talen hebben echter wel invloed gehad op de ontwikkeling van het Fins.

Het Fins is, naast het Zweeds, een van de twee officiële talen van Finland. Behalve in Finland, wordt het Fins ook gesproken in Estland, Zweden, Noorwegen en Rusland (zie afbeelding 1). In totaal zijn er ongeveer 6 miljoen sprekers die deze taal spreken. In Nederland woonden, op 15 november 2011, 2470 mensen met Fins als eerste nationaliteit en 880 mensen met Fins als tweede nationaliteit (CBS).

Gebieden waar Fins wordt gesproken.png
Afbeelding 1: Landen waar het Fins wordt gesproken als officiële of tweede taal.
Bron: http://en.wikipedia.org/wiki/Finnish_language.

Dialecten en spreekvarianten
In meerdere delen van Finland wordt gesproken met een dialect, spreektaal, samenvoegingen, verkortingen of straattaal. Twee bekende dialecten zijn het Lounaismurre (Zuidwestdialect) en het Stadin slangi dialect (Helsinki en omstreken). Het Lounaismurre wordt bijna in heel Finland gesproken, dit is eigenlijk het spreek-Fins.

Op afbeelding 2 is te zien dat binnen het Fins de volgende dialecten bestaan: Oost-Fins (blauw op het kaartje, met daarbinnen het Savo en Zuidoost-Fins) en West-Fins (roze op het kaartje, met daarbinnen het Tavastia-Fins, Midden- en Noord-Botnisch, Peräpohjola, Zuid-Botnisch en Zuidwest-Fins). Verder zijn er nog traditionele Zweeds-sprekende gebieden (geel op het kaartje).

Finse dialecten.png
Afbeelding 2: Dialecten van het Fins.
Bron: http://en.wikipedia.org/wiki/Finnish_language.

Verschil spreektaal/schrijftaal
Het spreek-Fins wijkt enigszins af van het standaard-Fins. Het Nederlandse 'sorry' is in het standaard-Fins bijvoorbeeld anteeksi en in het spreek-Fins anteeks. Zo zijn letters, uitspraken en vervoegingen net wat anders binnen het spreek-Fins.

Schriftsysteem
Het Fins wordt geschreven met het Latijns alfabet. De taal maakt dus gebruik van de westerse spelling. Er zijn alleen na de z nog drie tekens toegevoegd die worden gezien als aparte letters. In het onderdeel fonologie hieronder wordt daarover meer uitgelegd.

2. Specifieke informatie over het Fins


Fonologie
Er zijn drie klinkers toegevoegd aan het standaard Latijns alfabet die worden gezien als aparte letters: å, ä, en ö. Deze letters komen in het Nederlands niet voor als representant van aparte klanken. De b, c, f, q, w, x, z en å worden alleen gebruikt in leenwoorden, de g en d alleen in speciale posities in een woord. De hiervoor genoemde letters komen in het Nederlands wel regelmatig voor, met uitzondering van de q, x en å. Deze letters komen in het Nederlands ook weinig of nooit voor. Het Fins kent weinig medeklinkers en acht klinkers. De klinkers kunnen kort of lang zijn en gecombineerd worden tot veel verschillende tweeklanken, dit worden klinkerfonemen genoemd. De klemtoon in het Fins is redelijk zwak en ligt altijd op de eerste lettergreep.

Het Fins bezit de volgende klinkers:

Voor in de mond uitgesproken
Achter in de mond uitgesproken
Ongerond
Gerond
Ongerond
Gerond
Gesloten
i [i]
y [y]

u [u]
Midden
e [e]
ö [ø]

o [o]
Open
ä [æ]

a [ɑ]


Het Fins bezit de volgende medeklinkers:

Labiaal
Dentaal
Alveolaar
Postalveolaar/Palataal
Velaar
Glottaal
Nasaal
m
n


ng [ŋ] 2

Plofklank
p,b
t, d 1


k, g
[ʔ] 3
Wrijfklank
(f)

s
(š [ʃ])

h
Approximant
v [ʋ]

l
j


Tril


r



1. De [d] komt in erfwoorden alleen in het midden van het woord voor als verzwakking van [t] door medeklinkergradatie, dit wordt hieronder verder toegelicht. De uitspraak varieert in de meeste gevallen net iets van een echte plofklank.
2. De korte velare nasaal [ŋ] is een allofoon van [n] in de combinatie [ŋk] (geschreven als nk) en de langere nasaal [ŋŋ] (geschreven als ng) komt alleen voor als verzwakking van [ŋk] door medeklinkergradatie.
3. De glottisslag komt alleen voor tussen twee woorden in en wordt niet geschreven. Deze klank komt niet in alle dialecten van het Fins voor.

De dubbele medeklinkers worden langer aangehouden en zijn betekenisonderscheidend. Dit geldt overigens ook voor de lange klinkers. De h wordt altijd duidelijk geaspireerd (aangeblazen). Deze letter is goed hoorbaar aan het einde van een lettergreep en klinkt in Nederlandse oren als ch. Dit is een verschil met het Nederlands, waarin de h meestal niet zo duidelijk wordt aangezet.

Klinkerharmonie
Het Fins kent klinkerharmonie, wat betekent dat binnen een woord voorklinkers en achterklinkers niet samen kunnen voorkomen. Bij een voorklinker ligt de articulatie zover mogelijk voor in de mond en bij een achterklinker achter in de mond. Het Fins kent de volgende voor- en achterklinkers en neutrale klinkers:
Achterklinkers
Voorklinkers
Neutraal
a
ä
e
o
ö
i
u
y


Medeklinkergradatie
Typisch voor de Oostzeefinse talen is de medeklinkergradatie. Dat betekent dat sommige medeklinkers, afhankelijk van hun positie, in een sterke trap en een zwakke trap kunnen optreden.
Als een medeklinker aan het begin van een open lettergreep staat (eindigend op een klinker), dan verschijnt de sterke trap. Als de lettergreep gesloten is (eindigend op een medeklinker), dan verschijnt de zwakke trap. Er zijn hierop wel vele uitzonderingen. Er zijn twee vormen van gradatie. De eerste is kwantitatief: de sterke trap heeft een lange plofklank, de zwakke een korte (pp of p: kauppa – kaupan ‘winkel’). De tweede is kwalitatief: de sterke trap heeft een andere klinker dan de zwakke (p of v: apu – avun ‘hulp’).

Morfologie
Omdat het Fins niet verwant is met de Indo-Europese talen, is het Fins een erg moeilijke taal. Bijkomende moeilijkheid is dat de taal veel dialecten en dialectische vervoegingen kent die in Finland door elkaar worden gebruikt. Het belangrijkste probleem bij het leren van het Fins is de ingewikkelde grammatica. Het Fins bestaat uit vele onregelmatige werkwoordsvervoegingen. In vergelijking met het Nederlands, zijn in het Fins veel meer woorden vervoegbaar. Daarbij komt dat het Fins grotendeels een woordenschat heeft die niet verwant is aan de meeste Europese talen en veel woorden niet goed vertaalbaar zijn. Een verschil met de Germaanse talen is dat de grammaticale termen genitief, accusatief en passief anders worden gebruikt. Ook kent het Fins een groot aantal verschillende naamvallen. Dat de morfologie van het Fins zo ingewikkeld is, zou een voordeel kunnen zijn bij het leren van het Nederlands, omdat de Nederlandse morfologie een stuk eenvoudiger is.

Agglutinerende taal
Het Fins is een agglutinerende taal. Dat houdt in dat een keten van uitgangen de betekenis specificeert. Deze morfemen hebben ieder hun eigen betekenis. De uitgangen geven bijvoorbeeld plaatsbepaling of bezit aan. Hierdoor heeft het Fins ook langere woorden dan het Nederlands. Het Nederlands gebruikt namelijk vaker afzonderlijke, zelfstandige woordjes om allerlei (grammaticale) functies weer te geven. Een voorbeeld van agglutinatie aan de hand van het woord talo dat ‘huis’ betekent:
Fins
Nederlands
Talo
Huis
Talossa
In het huis
Talolla
Bij/op het huis
Talonsa
Zijn/haar huis

Geen woordgeslacht en lidwoorden
Het Fins kent geen woordgeslacht, zelfs niet in persoonlijke voornaamwoorden. Dat betekent dat het persoonlijke voornaamwoord hän zowel ‘hij’ als ‘zij’ kan betekenen. Het achtervoegsel –tar is wel te vergelijken met het Nederlandse –in, -es of –ster (kuningatar-koningin). Daarnaast komen in het Fins ook geen lidwoorden voor. Dit is een verschil met het Nederlands, waarin ‘de’, ‘het’ of ‘een’ voor het zelfstandig naamwoord wordt geplaatst.

Naamvallen
Het Nederlands heeft voorzetsels, het Fins gebruikt in plaats daarvan achtervoegsels en naamvallen. Dat is kenmerkend voor agglutinerende talen. Er zijn vele soorten, hier volgen de zestien naamvallen van het woord talo:
Naamval
Betekenis
Fins
Nederlands
Nominatief
Grammaticaal
Onderwerp
Talo
Huis
Genitief
Van (bezit, relatie)
Talon
Van het huis
Accusatief
(Voltooid voorwerp)
Talon
(Het volledige) huis
Partitief
(Onvoltooid voorwerp)
Taloa
(Wat/een deel van het) huis
Inessief
Locatief (intern)
Binnenin
Talossa
In het huis
Elatief
Vanuit
Talosta
Het huis uit
Illatief
Naar binnen
Taloon
Het huis in
Adessief
Locatief (extern)
Bij/op
Talolla
Bij/op het huis
Ablatief
Vandaan/vanaf
Talolta
Van het huis weg/af, bij het huis vandaan
Allatief
Naartoe
Talolle
Naar het huis toe
Essief
Essief (rol)
Als
Talona
Als een huis
Exessief
Van zijnde
Talonta
(Verandering) van een huis zijnde (in iets anders)
Translatief
In (de rol van)
Taloksi
(Verandering) in een huis
Instructief
Marginaal (weinig gebruikt)
Met (behulp van)
Taloin
Met de huizen
Abessief
Zonder
Talotta
Zonder huis
Comitatief
Samen met
Taloineen
Samen met het huis/de huizen

Afbeelding 3 is een mooi voorbeeld van hoe voorzetsels en achtervoegsels in vier verschillende talen gebruikt worden (Clark, 2004). De Finse achtervoegsels –lla voor ‘op’ en –ssa voor ‘in’, worden vergeleken met de Engelse voorzetsels on en in, de Nederlandse voorzetsels op, in en aan en het Spaanse voorzetsel en, dat gebruikt wordt voor ‘op’, ‘in’ en ‘aan’. Uit deze afbeelding valt op te maken dat het Fins hierin verschilt van de Germaanse talen Engels en Nederlands, maar ook van de Romaanse taal Spaans. Het Fins hanteert als enige van deze vier talen achtervoegsels die aan het zelfstandig naamwoord worden geplakt.

Voor- en achterzetsels in vier talen.jpg
Afbeelding 3: Voorzetsels en achtervoegsels in vier talen. Bron: Clark (2004).

Meervoud
In het Fins wordt het meervoud van de nominatief meestal gevormd door een t achter het zelfstandig naamwoord te plaatsen en de stam in de zwakke gradatietrap. Bij het woord talo wordt het meervoud dus talot. Bij de overige naamvalsvormen wordt het meervoud gevormd door een i in te voegen tussen de stam en de uitgang. Bij het woord talo wordt het meervoud van het inessief dus taloissa. De i kan soms de bestaande eindklinker vervangen of veranderen. Het meervoud van het inessief van het woord kala (vis) is bijvoorbeeld kaloissa. Bij het nominatief kan echter soms ook een verandering optreden: lintu (vogel) wordt linnut (vogels)

Persoonlijk voornaamwoorden
Het Fins kent de volgende persoonlijk voornaamwoorden:
Fins
Nederlands
minä
ik
sinä
jij/u
hän
hij/zij
me
wij
te
jullie
he
zij

Werkwoordsvervoegingen
De werkwoorden in het Fins zijn relatief eenvoudig en lijken in bepaalde opzichten op de Nederlandse werkwoorden. Er zijn maar twee tijden: de tegenwoordige en verleden tijd. De toekomende tijd wordt meestal met de tegenwoordige tijd weergegeven. De tegenwoordige tijd wordt gevormd zonder tussenvoegsel; de uitgangen worden rechtstreeks aan de stam geplakt. Als de stam eindigt op een medeklinker wordt er een extra e ingevoegd voor de uitgangen om de uitspraak te vereenvoudigen. De verleden tijd wordt gevormd door het invoegen van een i tussen de stam en de uitgang. Hiervoor gelden dezelfde regels als voor het veranderen en verwijderen van voorgaande klinkers als bij de meervoudsvorming van naamwoorden. Als de stam al op een i eindigt, blijft deze onveranderd. Daardoor zijn de tegenwoordige en verleden tijd bijna gelijk. In de onderstaande tabellen zijn voorbeelden te zien met de tegenwoordige en verleden tijd van het werkwoord sanoa (zeggen).

Tegenwoordige tijd
Vorm
Uitgang
Vervoeging sanoa (zeggen)
Nederlands
minä
-n
sanon
ik zeg
sinä
-t
sanot
jij/u zegt
hän
-V, -
sanoo
hij/zij zegt
me
-mme
sanomme
wij zeggen
te
-tte
sanotte
jullie zeggen
he
-vat/vät
sanovat
zij zeggen
(passief)
-tta- + -Vn
sanotaan
wordt gezegd
- V: verdubbeling van de voorgaande klinker.
-: geen uitgang.
-Vn: vierde persoonsuitgang, V is verdubbeling van de voorgaande klinker.

Verleden tijd
Vorm
Vervoeging sanoa (zeggen)
Nederlands
minä
sanoin
ik zei
sinä
sanoit
jij/u zei
hän
sanoi
hij/zij zei
me
sanoimme
wij zeiden
te
sanoitte
jullie zeiden
he
sanoivat
zij zeiden
(passief)
sanottiin
werd gezegd

Ontkenningswerkwoord
De ontkenning in het Fins verschilt van de andere Europese talen. Het wordt namelijk weergegeven door middel van een werkwoord, het lijkt daarmee een beetje op het Engels. ‘Ik lees niet’ wordt bijvoorbeeld en lue en ‘hij/zij leest niet’ wordt ei lue. Een verschil met het Engels is dat het Finse ontkenningswerkwoord geen uitgangen heeft voor tijd of wijs. Deze uitgangen zijn achter het werkwoord toegevoegd. In het Engels zou de verleden tijd letterlijk vertaald dan bijvoorbeeld niet zijn I didn’t work, maar I don’t worked.

Constructie van ‘hebben’
Het Fins kent geen werkwoord ‘hebben’. In plaats daarvan wordt in het Fins ‘bij mij is’ gebruikt. In dat geval is datgene wat men ‘heeft’ niet het lijdend voorwerp, maar het onderwerp. Een voorbeeld: minulla on talo dat letterlijk ‘bij mij is een huis’ betekent.

Syntaxis
Vanwege het naamvalsysteem, kent het Fins een relatief vrije woordvolgorde. Er is echter geen complete vrijheid, want de zin moet wel logisch en begrijpelijk blijven. In neutrale zinnen is de meest voorkomende woordvolgorde SVO. Dit is dus hetzelfde als in het Nederlands. Een voorbeeld van een SVO zin in het Fins is: mies lukee lehteä, wat in het Nederlands ‘de man leest de krant’ betekent. Eerst het onderwerp, vervolgens het werkwoord en als laatste het lijdend voorwerp. In het Fins wordt, net als in het Nederlands, het bijvoeglijk naamwoord altijd voor het zelfstandig naamwoord geplaatst.

Samengestelde zinnen
In het Fins wordt ook onderscheid gemaakt tussen nevenschikkingen en ondergeschikte zinnen. Een (ondergeschikte) bijzin kan beginnen met een connectief, zoals ondanks (‘vaikka’). Woorden die gebruikt worden in relatieve bijzinnen en die iets zeggen over een eerder genoemd zelfstandig naamwoord, is ‘joka’ (wie/welke) of ‘että’(dat). De woorden ‘ja’ (en), ‘mutta’ (maar), tai (of), sillä (want) worden gebruikt in nevenschikkingen, waarbij één of meerdere afhankelijke bijzinnen verbonden zijn met de onafhankelijke hoofdzin. Deze bijzinnen kunnen niet los van de hoofdzin staan.

Pragmatiek
Er zijn geen specifieke pragmatische gevallen in de Finse taal die veel verschillen van het Nederlands. In principe zouden hierbij dus geen problemen moeten optreden bij het leren en gebruiken van het Nederlands. Het enige dat misschien verwarring zou kunnen opleveren, is dat in het Nederlands onderscheid wordt gemaakt tussen 'hij' en 'zij' en 'u' en 'jij'.

3. Verwervingsfases in bovenstaande domeinen in het Fins


Verwervingsvolgorde in het Fins
De verwervingsvolgorde van het Fins verloopt vrijwel hetzelfde als die van het Nederlands, op een paar uitzonderingen na die hieronder worden besproken. Bij de fonologie komen in het Fins de klanken å, ä, en ö erbij. De morfologie is ingewikkelder dan die van het Nederlands in verband met de naamvallen en vele werkwoordsvervoegingen. Een verschil met de Nederlandse verwerving is dat Finnen de lidwoorden niet verwerven, omdat die niet in de taal voorkomen.

Slobin (1997) beschrijft in zijn boek uitgebreid hoe en in welke volgorde de verwerving bij Finse kinderen verloopt. Toivainen (1980) heeft onderzocht dat Finse kinderen normaal gesproken ook alle klanken hebben verworven rond hun derde jaar, alleen de d kan na die leeftijd nog lastig blijven. Dit bleek uit een onderzoek dat hij heeft gedaan met vier Finse kinderen. Toivainen heeft ook onderzoek gedaan naar de Finse verwerving op morfologisch gebied. Hiervoor heeft hij verschillende kinderen onderzocht, vandaar dat de leeftijd waarop iets verworven wordt soms wat uiteenloopt. Op morfologisch gebied verloopt de Finse verwerving als volgt:
Leeftijd
Structuur
Voorbeeld Fins
Vertaling
1;4 - 1;10
Werkwoord infinitief
Werkwoord derde persoon enkelvoud
Ontkenning
mene
menee
ei
gaan
gaat
geen
1;7 - 2;1
Er
Zelfstandig naamwoord partitief
tuossa
ruokaa
er
voedsel
1;7 - 2;2
Vraagwoord
mikä
wat
1;8 - 2;2
Werkwoord verleden tijd
Bijwoord
men-i
täällä
ging
hier
1;8 - 2;3
Ontkenning met werkwoord
ei mene
niet
1;10 - 2;5
Zelfstandig naamwoord inessief
sängyssä
in bed
2;1 - 2;6
Voltooid deelwoord met hulpwerkwoord
on mennyt
is gegaan
2;3 - 2;10
Tegenwoordige tijd met hulpwerkwoord
voi tehdä
kan doen
Bron: Slobin (1997).

Er is een aantal verschillen en overeenkomsten op te merken als je bovenstaande tabel vergelijkt met de tabel van de Nederlandse verwerving. Het vraagwoord wordt in het Nederlands (2;6-3) later verworven dan in het Fins (1;7-2;2). Ook moeten in het Fins de verschillende naamvalvormen van het zelfstandig naamwoord worden verworven, daar waar het Nederlands voorzetsels gebruikt. Dit gebeurt in beide talen wel ongeveer rond dezelfde leeftijd, namelijk rond de twee jaar. Een kanttekening daarbij is dat er in het Fins nog vele andere naamvallen zijn, waar kinderen nog zeker tot hun vierde jaar mee bezig zijn om deze allemaal te verwerven (Toivainen, 1980). De verwerving van het infinitief, bijwoord, de hulpwerkwoorden, derde persoon enkelvoud en de verleden tijd gebeurt ongeveer op dezelfde leeftijd in beide talen. Een groot verschil is het woord ‘er’. Dit wordt in het Fins al rond de leeftijd van twee jaar verworven en in het Nederlands pas rond vier jaar.

4. Onderzoek naar taalstoornissen in het Fins


Er zijn redelijk veel onderzoeken gedaan naar taalstoornissen in het Fins. Dit komt mede doordat de taal grammaticaal vrij lastig is en veel complexe structuren bevat. Daarom is het voor onderzoekers interessant om te kijken hoe kinderen met een taalstoornis hiermee omgaan. Hieronder staat een aantal artikelen weergegeven. De meest interessante zijn samengevat.

  • Kunnari, S., Saaristo-Helin, K. & Savinainen-Makkonen, T. (2012). ‘Phonological mean length of utterance in specific language impairment: a multi-case study of children acquiring Finnish’. Clinical Linguistics & Phonetics, 26(5), 428-444.
In dit onderzoek worden vier Fins-sprekende kinderen met een taalstoornis (leeftijden 4;8 tot 5;5 jaar) vergeleken met vier jongere normaal ontwikkelende kinderen. In dit taalonderzoek wordt de spraak van de kinderen kwantitatief en kwalitatief beoordeeld. De kwantitatieve beoordeling wordt gedaan aan de hand van het pMLU, de fonologische gemiddelde lengte van een uiting. Dat houdt in dat er niet gelet wordt op morfemen (zoals bij MLU), maar er wordt gescoord op aparte fonemen. De analyse wordt gedaan aan de hand van een transcriptie van een speelsituatie van het kind met de onderzoeker. Er wordt daarnaast ook gekeken of het foneemgebruik van het kind kwalitatief in orde is.
De conclusie is dat het pMLU van deze kinderen met een taalstoornis ongeveer op het niveau zit van tweejarige normaal ontwikkelende kinderen. Ook hebben de kinderen met een taalstoornis problemen met woordmediale clusters (lintu – vogel) en woordinitiële medeklinkers: clusters in het midden van een woord bleken lastig, maar ook medeklinkers aan het begin van een woord werden vervangen of weggelaten. Daarnaast produceren de kinderen met een taalstoornis vaker medeklinkerassimilaties (vergelijk Nederlandssprekende kinderen die 'veven' zeggen in plaats van 'geven'), niet-frequente fouten en klinkerfouten.

  • Niemi, J. (1999). ‘Production of grammatical number in specific language impairment: An elicitation experiment on Finnish’. Brain and Language, 68, 262-267.
In dit onderzoek wordt door middel van een Wug-test de productie van het meervoud uitgelokt. De Wug-test biedt nonsenswoorden aan die het kind moet vervoegen. De proefpersonen zijn 10- tot 11-jarige normaal ontwikkelende kinderen en 10-jarige kinderen met een taalstoornis.
De conclusie is dat kinderen met een taalstoornis minder goed productief de Finse meervoudsvorming hebben verworven dan normaal ontwikkelende kinderen. Het verschil in transparantie (echte woorden tegenover niet-bestaande woorden) beïnvloedt de prestaties van beide groepen. Kinderen met een taalstoornis scoren namelijk laag op de niet-bestaande woorden. Dit betekent dat ze niet-bestaande woorden slechter vervoegen dan bestaande. De vervoeging van niet-bestaande woorden kunnen ze namelijk niet ophalen uit het geheugen, daarvoor moet een regel worden toegepast.

Overige artikelen over taalstoornissen in het Fins
  • Hannus, S., Kauppila, T. & Launonen, K. (2009). ‘Increasing prevalence of specific language impairment (SLI) in primary healthcare of a Finnish town’. International Journal of Language & Communication Disorders, 44(1), 79-97.
  • Kunnari, S., Savinainen-Makkonen, T., Leonard, L.B., Mäkinen, L., Tolonen, A.K., Luotonen, M. & Leinonen, E. (2011). ‘Children with specific language impairment in Finnish: the use of tense and agreement inflections’. Journal of Child Language, 38, 999-1027.
  • Niemi, J., Gundersen, H., Leppäsaari, T. & Hugdahl, K. (2003). ‘Speech lateralization and attention/executive functions in a Finnish family with specific language impairment (SLI)’. Journal of Clinical and Experimental Neuropsychology, 25(4), 457-464.

5. Slotopmerkingen en literatuurverwijzingen


Suggesties voor vragen aan de ouders
De volgende kenmerken van het Fins verschillen met het Nederlands. Als het kind hierin fouten maakt in het Nederlands, hoeft dit niet per se te duiden op een taalstoornis. Dit duidt eerder op een negatieve transfer van de T1 (eerste taal) naar de T2 (tweede taal). De volgende vragen kunnen aan ouders gesteld worden:

Kenmerk
Vraag
Moeilijkheid
Agglutinatie
Scheidt uw kind de woorden goed of plakt het uitgangen aan elkaar die in het Nederlands alleen als afzonderlijke woorden kunnen voorkomen?
Tussen de 2 en de 2;6 jaar verwerft een Nederlands kind de voorzetsels. Een kind met als T1 Fins kan hier echter moeite mee hebben, omdat de taal agglutinerend is.
Lidwoorden
Gebruikt uw kind lidwoorden?
In het Nederlands worden de lidwoorden al rond de leeftijd van 2 jaar verworven. Een kind met als T1 Fins kan ze weglaten of door elkaar halen, omdat deze taal geen lidwoorden bevat.
Naamvallen
Gebruikt uw kind Nederlandse voorzetsels?
Tussen de 2 en de 2;6 jaar verwerft een Nederlands kind de voorzetsels. Een kind met als T1 Fins kan hier echter moeite mee hebben, omdat de taal agglutinerend is en naamvallen bevat.
Geslacht
Maakt uw kind goed onderscheid tussen 'hij' en 'zij'?
In het Nederlands wordt hier onderscheid tussen gemaakt, voor het Fins geldt dit niet. Een kind met Fins als T1 kan hier daarom moeite mee hebben.
Constructie ‘hebben’
Gebruikt uw kind het werkwoord ‘hebben’ en doet het dit op de juiste manier?
In het Fins wordt dit werkwoord niet gebruikt. Een kind zou dit in het Nederlands kunnen vervangen door ‘bij mij is’.

De volgende kenmerken zijn in het Fins (bijna) hetzelfde als in het Nederlands, of zelf complexer. Bij deze kenmerken worden dus in principe geen moeilijkheden verwacht bij een kind zonder stoornis. Als het kind er echter in de T1 ook al problemen mee heeft, zou dit kunnen duiden op een stoornis. De volgende vragen kunnen aan ouders gesteld worden:

Kenmerk
Vraag
Moeilijkheid
Fonologie
Heeft uw kind moeite met het uitspreken van bepaalde klanken?
De meeste klanken zijn rond de leeftijd van 3 jaar verworven, tot 6 jaar kunnen echter de r en de l nog lastig zijn. Uit het onderzoek van Kunnari (2012) blijkt dat het pMLU van Finse kinderen met een taalstoornis ongeveer op het niveau zit van een tweejarige normaal ontwikkelende kinderen. Daarnaast hebben ze ook moeite met verschillende klinker- en medeklinker samenstellingen.
Syntaxis
Maakt uw kind zinnen met de SVO volgorde (onderwerp-werkwoord-lijdend voorwerp)?
Het lastige is dat het Fins een relatief vrije woordvolgorde kent, waardoor er verschillende volgordes in de zinnen mogelijk zijn. Nederlandse kinderen zitten tussen de 3 en 3;6 jaar in de vierwoordfase en produceren dan ook al samengestelde zinnen.
Werkwoordsvervoeging
Heeft uw kind opvallend veel moeite met de werkwoordsvervoeging?
Hierbij kan in het Nederlands bijvoorbeeld gelet worden op het gebruik van de eind-t bij de derde persoon tegenwoordige tijd, het (correct) gebruik van verledentijdsvormen en het (correct) gebruik van hulpwerkwoorden. Deze aspecten worden normaal gesproken tussen de 2 en de 2;6 jaar verworven.
Meervoudsvorming
Vormt uw kind het meervoud op de juiste manier?
Tussen de 2 en de 2;6 jaar wordt het meervoud normaal gesproken verworven. Uit het onderzoek van Niemi (1999) blijkt ook dat Finse kinderen met een taalstoornis, minder goed productief de Finse meervoudsvorming hebben verworven dan normaal ontwikkelende kinderen.

Verder lezen over het Fins

Referenties
  • Clark, E.V. (2004). ‘How language acquisition builds on cognitive development’. Elsevier. 8(10), 472-478.
  • Fletcher, P., & Ball, M. J. (Eds.). (2016). Profiling grammar: more languages of LARSP (Vol. 15). Multilingual Matters. (p: 72)
  • Haarmann, H. (2003). ‘Finnish’. In Roelcke, T. (ed.) Variation Typology. Berlijn en New York: Walter de Gruyter, 866–904.
  • Karlsson, F. (2003). Finnish: an essential grammar. London en New York: Routledge.
  • Slobin, D.I. (1997). The crosslinguistic study of language acquisition Volume 4. Abingdon: Lawrence Erlbaum Associates Inc.
  • White, L. (2006). A grammar book of Finnish. Helsinki: Finn Lectura.

Sites
http://nl.wikipedia.org/wiki/Fins
http://nl.wiktionary.org/wiki/Fins
http://en.wikipedia.org/wiki/Finnish_language
http://nl.glosbe.com/nl/fi/ (woordenboek Nederlands <--> Fins)

In het Fins wordt ook onderscheid gemaakt tussen nevenschikkingen en ondergeschikte zinnen. Een (ondergeschikte) bijzin kan beginnen met een connectief, zoals ondanks (‘vaikka’). Woorden die gebruikt worden in relatieve bijzinnen en die iets zeggen over een eerder genoemd zelfstandig naamwoord, is ‘joka’ (wie/welke) of ‘että’(dat). De woorden ‘ja’ (en), ‘mutta’ (maar), tai (of), sillä (want) worden gebruikt in nevenschikkingen, waarbij één of meerdere afhankelijke bijzinnen verbonden zijn met de onafhankelijke hoofdzin. Deze bijzinnen kunnen niet los van de hoofdzin staan.