door Astrid Gilein, Jessica Leijten

0. Praktische informatie voor taalonderzoek
1. Algemene informatie
2. Specifieke informatie
2.1 Fonologie
2.2 Morfologie
2.2.2 Werkwoordsmorfologie
2.3 Syntaxis
2.4 Pragmatiek
3. Verwervingsvolgorde
4. Informatie taalstoornissen
5. Afkortingen
6. Literatuur



0. Praktische informatie voor taalonderzoek


Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer

Fonologie
Klanken die niet in het Ests voorkomen zijn de [b], [d], [x/ɣ], [w] en [z]. De klank die waarschijnlijk de meeste problemen oplevert is de /g/, aangezien de stemloze tegenhanger van de andere klanken wel in het Ests voorkomen.
De klinkers en diftongen vertonen veel overeenkomsten met het Nederlands. De zwaarte en plaats van de klemtoon is in het Ests van meer belang voor de betekenis dan in het Nederlands. Hier worden geen problemen mee verwacht.

Morfologie
Zelfstandig naamwoorden
Het Ests is een agglutinerende taal, wat inhoudt dat er betekenisvolle morfemen aan het woord worden toegevoegd, in plaats van het gebruik van losse woorden. Naamvallen en voorzetsels worden uitgedrukt door suffixen aan het woord. Zelfstandig naamwoorden hebben ook geen geslacht of lidwoord. Dit zou voor moeilijkheden kunnen zorgen bij het leren van het Nederlands.
De werkwoordsmorfologie van het Ests vertoont veel overeenkomsten met de werkwoordsmorfologie van het Nederlands. Een verschil is wel dat in het Ests het werkwoord ‘hebben’ niet voorkomt.

Syntaxis
De woordvolgorde in het Ests is SVO, evenals in het Nederlands. Dit zou geen problemen op moeten leveren bij het leren van het Nederlands.

Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementen
Bij het onderscheiden van de mogelijke oorzaak van fouten in het Nederlands, zijn onderstaande vragenlijsten per taalgebied (fonologie, morfologie, syntaxis en pragmatiek) opgesteld. Voorzichtigheid bij de analyse aan de hand van deze vragenlijsten is geboden; de vragen vormen slechts een leidraad om NT2-fouten globaal van TOS-fouten te onderscheiden. De verkregen informatie dient als eerste indicatie voor de aanwezigheid van een taalontwikkelingsstoornis. De vragen kunnen gesteld worden aan ouders/tolken om te achterhalen of het kind bepaalde TOS-kenmerken vertoont.

De eerste vragenlijst heeft betrekking op NT2-problematiek; deze vragenlijst vloeit voort uit een vergelijking tussen het Ests en het Nederlands (zie paragraaf 1 en 2 hieronder).

De tweede vragenlijst richt zich op de problematiek in het Ests. Deze vragenlijst kan een beeld schetsen van eventuele TOS-kenmerken die het kind in de moedertaal laat zien.

  1. 1. Vragenlijst in relatie tot problemen in het Nederlands. Wanneer hier vaak bevestigend op wordt geantwoord, is er mogelijk sprake van negatieve transfer vanuit het Ests.
Fonologie
- Heeft het kind moeite met de uitspraak van de [b], [d], [x/ɣ], [w] en [z]?
Morfologie
- Laat het kind lidwoorden weg?
- Laat het kind het zelfstandig naamwoord ongespecificeerd voor het geslacht?
Syntaxis
- Aangezien de zinsleer van het Ests veel overeenkomsten vertoont met het Nederlands worden op dit gebied geen transferproblemen verwacht.

  1. 2. Vragenlijst in relatie tot problemen in het Deens. Wanneer hier vaak ‘ja’ op wordt geantwoord, is er mogelijk sprake van een TOS.
Fonologie
- Heeft het kind moeite met het produceren van bepaalde klanken in het Ests, terwijl leeftijdsgenootjes deze klanken zonder moeite kunnen produceren?
Morfologie
- Maakt het kind veel fouten met samengestelde woorden?
Syntaxis
- Wanneer ging het kind twee woordjes combineren in zinnen? De universele mijlpalen in de taalontwikkeling kunnen worden aangehouden als leidraad. Zie hiervoor dit schema.
Pragmatiek
- Vertelt het kind minder informatieve verhalen en laat het kind vaak de setting weg bij het vertellen van een verhaal?
- Maakt het kind weinig oogcontact, is het verminderd wederkerig en heeft het zwakke communicatieve vaardigheden in de moedertaal?

Verder kunnen de universele mijlpalen in de taalontwikkeling worden aangehouden als leidraad. Zie hiervoor dit schema.


naar boven

1. Algemene informatie


Taalfamilie

Het Ests behoort tot de Oeralische taalfamilie en daarin tot de subfamilie van Finoegrische talen. Binnen de subfamilie van Finoegrische talen, hoort het Ests, net zoals het Fins, tot de Oostzeefinse talen en is daarbij nauw verwant aan het Fins. Het Ests heeft ongeveer een miljoen moedertaalsprekers in Estland en ongeveer 150.000 sprekers elders in de wereld. Doordat er onder andere Finse televisie is en veel Finse toeristen in Estland, hebben de meeste Esten ook een redelijke taalbeheersing van het Fins. Zoals in het hoofdstuk over het Fins is te lezen, is dit andersom niet het geval.

Dialecten

De dialecten in Estland worden onderverdeeld in de noordelijke en zuidelijke dialecten. Het standaard Ests is gebaseerd op de Noord-Estlandse dialecten. Onder de noordelijke dialecten vallen het westerse dialect, Läänemurre, het dialect van het eiland, Saarte murre, en het oosterse dialect van de noordwestkust, Idamurre. Onder de zuidelijke dialecten vallen de Tartu, Mulgi, Võru en Setu dialecten. Van deze dialecten wordt het Võro gezien als een aparte taal en staat van de dialecten ook het verste af van het standaard Ests. Hieronder is een afbeelding te zien met de dialectgrenzen.

dialecten.png

Lijn a-b-c: De grens tussen de Noord-Estse en Zuid-Estse dialecten.
Lijn b-d: De grens die het Mugli dialect afscheidt van de andere Zuid-Estse dialecten.
Lijn e-f: De grens die de eilanddialecten van de westerse vasteland dialecten afscheidt.
Lijn g-h: De grens die de dialecten in het noordoosten afscheidt van de dialecten in het oosten.
Smalle lijnen: grenzen van andere subdialecten of idiomen.
Gestreepte lijnen: een administratieve of vage dialectgrens.
Gestippelde gebieden: gebieden van andere (Zweedse, Russische, of Litouwse) talen.




Gebarentaal

De Estse Gebarentaal wordt voornamelijk gebruikt in de steden Tallinn en Pärnu door dove, Estse inwoners. De gebarentaal is sterk beïnvloed door de Russische en Finse gebarentaal en wordt door ongeveer 4500 mensen gebruikt. Buiten de stad Tallinn is er een Russisch-Estse pidgin-gebarentaal ontstaan bij de Russische inwoners.

Schrijftaal/spreektaal

Het Ests gebruikt net als het Nederlands het Latijnse schrift. Naast de 26 standaard letters, gebruikt het Ests ook de letters ä, ö, ü en õ, š en ž. Hierbij is de klank-tekenkoppeling zeer transparant: in de meeste gevallen correspondeert elke letter maar met één bepaalde klank, al zijn er uitzonderingen. Ook zijn er een aantal letters/klanken die alleen voorkomen in leenwoorden. Hierbij gaat het om de volgende letters: c, f, q, š, w, x, y en z.

naar boven

2. Specifieke informatie


2.1 Fonologie

Fonemen

De klankinventaris van het Ests ziet er als volgt uit:

Medeklinkers:

Bila-bilaal
Labio-dentaal
Alveolair
Post-alveolair
Gepalatalizeerd
Palataal
Velair
Glottaal
Plosief
p

t

tj

k

Nasaal
m

n

nj



Tril


r





Fricatief

f v
s
ʃ
sj


h
Lateraal


l

lj



Approximant





j


Stemhebbende klanken staan aan de rechterkant van een cel in de tabel, stemloze klanken aan de linkerkant.

Klinkers:

Voorklinker
Achterklinker
-Rond
+Rond
-Rond
+Rond
Hoog
i [i]
ü [y]

u [u]
Midden
e [e]
ö [ø]
õ [ɤ]
o [o]
Laag
ä [æ]

a [ɑ]

Aan de linkerkant staat de letter die in het Ests gebruikt wordt voor die klank. Aan de rechterkant staat tussen vierkante haakjes het bijbehorende IPA-symbool.

Naast bovenstaande klinkers komen er ook diftongen voor. Verder wordt er een verschil gemaakt tussen korte en lange klinkers. In tegenstelling tot het Nederlands, waar dit verschil meestal gemaakt door het aantal medeklinkers die volgen op de klinker aan te passen: één medeklinker bij een lange klinker (1) en twee medeklinkers bij een korte klinker (2), wordt in het Ests het verschil gemaakt door het aantal klinkers te veranderen: één klinker voor een korte klinker en twee klinkers voor een lange klinker (3 en 4).

(1) ko-pen (2) mo-ppen (3) kala (4) kaalu
kopen-MV mop-MV vis.NOM.EV gewicht.NOM.EV
‘kopen’ ‘moppen’ ‘vis’ ‘gewicht’

De klinkers en medeklinkers kunnen in het Ests drie verschillende lengtes aannemen: kort, lang en extra lang. Een voorbeeld waarbij dit betekenis onderscheidend is, is: koli ‘rommel’ (met een korte o), kooli ‘van school’ (met een lange o), kooli ‘naar school’ (met een extra lange o, al wordt het op dezelfde manier gespeld als de normale lange o).

Klemtoon

In het Ests ligt de klemtoon meestal op de eerste lettergreep van een woord. Uitzonderingen hierop zijn:
1) vele leenwoorden;
2) sommige samengestelde woorden, waarbij de klemtoon op de eerste lettergreep van het tweede deel van het woord komt. Bijvoorbeeld: maaílmatu ‘erg groot’, waarbij de ‘ de primaire klemtoon aangeeft;
3) een paar woorden die eindigen op –nna, zoals sõbranna ‘meisje’.

In het Ests kan de zwaarte van de klemtoon betekenis onderscheidend zijn. Een zware lettergreep wordt met meer nadruk uitgesproken, heeft een vallende toon en heeft een langere duur dan een lichte lettergreep. Een voorbeeld tussen een lichte en zware lettergreep waarbij het betekenis onderscheidend is, is: luua ‘bezem’ tegenover `luua ‘maken’. Een voorbeeld waarbij het de naamval aanduidt, is: laia ‘brood’ (genitief) tegenover `laia ‘brood’ (partitief).

naar boven

2.2 Morfologie

Bij zowel de zelfstandige naamwoorden, als de werkwoorden, is te zien dat het Ests een agglutinerende taal is; er worden betekenisvolle suffixen aan woord toegevoegd (zoals naamvalsmarkering) in plaats van losse woorden te gebruiken (5). Dit verschilt van het Nederlands, waar juist aparte woorden gebruikt worden.

(5) laps-e
kind-GEN
‘van het kind’

Lidwoorden en geslacht

De zelfstandige naamwoorden hebben geen geslacht en ook geen lidwoord. Wel kan er in het Ests gebruik worden gemaakt van de onbepaalde lidwoorden mõni (enkelvoud) en moñed (meervoud). Dit onbepaalde lidwoord heeft de betekenis van het woord ‘wat/iets’ en is niet verplicht om te gebruiken. Het bijvoeglijk naamwoord neemt dezelfde naamval aan als het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort. Naast de zelfstandige naamwoorden, wordt er ook geen verschil gemaakt bij persoonlijke voornaamwoorden tussen mannelijk en vrouwelijk, beide worden aangeduid met t(em)a ‘hij/zij’. In tegenstelling tot het Ests, heeft het Nederlands drie lidwoorden en verschil tussen mannelijk en vrouwelijk bij persoonlijke voornaamwoorden. Dit zou voor moeilijkheden kunnen zorgen bij het leren van het Nederlands voor iemand uit Estland. Te verwachten valt dat er weinig tot geen lidwoorden gebruikt zullen worden in het begin, of dat er willekeurig gekozen wordt voor een lidwoord.

Naamvallen

Zelfstandige naamwoorden zijn opgesteld uit de stam van het woord + naamval/getal suffix (+ secundair naamval suffix), in tegenstelling tot het Nederlands, waar juist voorvoegsels gebruikt worden om bijvoorbeeld een genitief uit te drukken (bijvoorbeeld ‘het brood van de bakker).

Hieronder staat een overzicht van de mogelijke naamvallen van het woord raamat ‘boek’:
Naamval
Enkelvoud
Meervoud
Betekenis (ev)
Nominatief
raamat
raamatu+d
het/een boek
Genitief
raamatu
raamatu+te
van het/een boek
Partitief
raamatu+t
raamatu+id
het/een boek (gedeeltelijk)
Illative
raamatu+sse
raamatu+sse
binnen het/een boek
Inessief
raamatu+s
raamatu+s
in het/een boek
Elatief
raamatu+st
raamatu+st
uit het/een boek
Allatief
raamatu+le
raamatu+le
naar het/een boek
Adessief
raamatu+l
raamatu+l
op het/een boek
Ablatief
raamatu+lt
raamatu+lt
vanaf het/een boek
Translatief
raamatu+ks
raamatu+ks
veranderen in het/een boek
Essief
raamatu+na
raamatu+na
als het/een boek
Terminatief
raamatu+ni
raamatu+ni
tot het/een boek
Cominatief
raamatu+ta
raamatu+ta
met het/een boek
Abessief
raamatu+ga
raamatu+ga
zonder het/een boek

Naast de zelfstandige naamwoorden, worden ook de voornaamwoorden op deze wijze verbogen. Daarnaast worden de voornaamwoorden onderverdeeld in zes semantische groepen, die ook het Nederlands kent: 1) persoonlijk voornaamwoorden (zoals ta ‘zij’), 2) reflexief (zoals oma ‘zijn eigen’), 3) wederkerig voornaamwoord (zoals üksteise ‘een ander’), 4) demonstratief (zoals see ‘dit’), 5) interrogatief (zoals kes ‘wie’), 6) indefiniet (zoals iga ‘alle’).

Vergrotende en overtreffende trap

Het maken van de vergrotende en overtreffende trap in het Ests werkt op ongeveer dezelfde manier als in het Nederlands. Bij de vergrotende trap komt er een suffix achter de stam en bij de overtreffende trap het woord kõige + de overtreffende trap. Een voorbeeld hiervan is:

(6) ilus (7) ilus-am (8) kõige ilus-am
mooi mooi-COMP SUP mooi-COMP
mooi’ ‘mooier’ ‘het mooist’

Naast deze manier van het maken van de overtreffende en vergrotende trap, zijn er een aantal uitzonderingen waarbij de overtreffende trap gemaakt wordt door de letter ‘i’ toe te voegen, bijvoorbeeld: püha ‘heilig’ – pühim ‘allerheiligst’.

Cijfers

In het Ests zijn de getallen één tot en met tien de basisgetallen waar de rest van de getallen van wordt afgeleid. De cijfers elf tot en met negentien worden geschreven als het cijfer van het eental+teist (9). Achter de tientallen, zoals veertig en vijftig, komt het achtervoegsel –kümmend (10).

(9) kaheksa-teist (10) kaheksa-kümmend
acht-tien acht-tiental
‘achttien’ ‘tachtig’

Vanaf de twintig worden het tiental en het eental apart geschreven van elkaar, bijvoorbeeld het getal 56 wordt geschreven als in voorbeeld (11).

(11) viis-kümmend kuus
vijf-tiental zes
‘zesenvijftig’

Het verschil met het Nederlands is dat het woord voor een cijfer één woord is in het Nederlands, maar verschillende woorden in het Ests, en dat eerst het tiental gezegd wordt en daarna het eental, terwijl dit in het Nederlands andersom is. Deze verschillen zouden eventueel voor moeilijkheden kunnen zorgen bij het leren van het Nederlands.

naar boven

2.2.2 Werkwoorden

Finiete werkwoorden
De samenstelling van het werkwoord is hetzelfde opgebouwd als een zelfstandig naamwoord: stam + tijd/wijze suffix (S1) + persoonsuffix (S2). Tenminste één van de suffixen is verplicht om te gebruiken.

Hieronder volgen overzichten van de verschillende tijden.
Persoon
Tegenwoordige tijd
Verleden tijd
1e p ev Mina/ma
mängi-n ‘Ik speel’
mängi-d ‘Jij speelt’
mängi-b ‘Hij/zij/het speelt’
mängi-me ‘Wij spelen’
mängi-te ‘Jullie spelen’
mängi-vad ‘Zij spelen’
mängi-sin ‘Ik speelde’
2e p ev Sina/sa
mängi-sid ‘Jij speelde’
3e p ev Tema/ta
mängi-s ‘Hij/zij/het speelde’
1e p mv Meie/me
mängi-sime ‘Wij speelden’
2e p mv Teie/te
mängi-site ‘Jullie speelden’
3e p mv Nemad/nad
mängi-sid ‘Wij speelden’
passief
mängi-takse ‘wordt gespeeld’
mängi-taks ‘werd gespeeld’

Naast de tegenwoordige en verleden tijd, kent het Ests ook de voltooid tegenwoordige tijd en de voltooid verleden tijd. Deze werkwoorden worden samengesteld uit het werkwoord olema ‘zijn’ en het verleden tijd deelwoord. Het verleden tijd deelwoord wordt in de voltooid tegenwoordige tijd gemaakt door met het suffix –nud (bijvoorbeeld Ma olen mänginud ‘ik heb gespeeld’). In de voltooid verleden tijd komt er ook –nud achter het werkwoord, maar is de vervoeging van olema anders (bijvoorbeeld Ma olin mänginud). Het werkwoord olema is in deze twee tijden dus het enige dat zich aanpast aan de persoon en getal van het onderwerp. Dit is hetzelfde als in het Nederlands, waarbij de werkwoorden ‘zijn’ en ‘hebben’ zich aanpassen, maar niet het andere werkwoord: ‘ik heb geslapen’ tegenover ‘zij hebben geslapen’.

Toekomende tijd

De toekomende tijd wordt alleen gebruikt wanneer er een activiteit gaat plaatsvinden die al gepland is. Voor andere toekomende activiteiten wordt de tegenwoordige tijd gebruikt. De toekomende tijd wordt gemaakt met het werkwoord hakkama ‘gaan’, dat zich aanpast aan de persoon en getal van het onderwerp, met daarna het infinitieve werkwoord. Een voorbeeld is Ma hakkan mängima ‘Ik ga spelen’. Over het algemeen wordt echter de tegenwoordige tijd gebruikt.
Naast de verschillende tijden, kent het Ests twee verschillende modi: de gebiedende wijs en de conditionele wijs. Zoals te zien is in de tabel hieronder, wordt de conditioneel gemaakt met dezelfde uitgangen als de verleden tijd, maar met als toevoeging het suffix –ks- ervoor.


Imperatief
Conditioneel
1e p ev

hakka-ksin ‘Ik zou starten’
2e p ev
hakka- ‘start!’
hakka-ksid ‘Jij zou starten’
3e p ev
haka-ku ‘laat hem/haar starten’
hakka-ks ‘Hij/zij zou starten’
1e p mv
haka-kem ‘laat ons starten’
hakka-ksime ‘Wij zouden starten’
2e p mv
haka-ke ‘start!’
hakka-ksite ‘Jullie zouden starten’
3e p mv
haka-ku ‘start!’
hakka-ksid ‘Zij zouden starten’

Het gebruik van suffixen om de tijd/wijze en persoon/getal aan te duiden, lijkt op het Nederlandse werkwoordsysteem. Het verschil tussen het Nederlands en het Ests is dat de twee soorten suffixen in het Nederlands soms samengetrokken zijn tot één suffix. In het voorbeeld ‘Hij gooi-de’ geeft –de zowel verleden tijd aan, als enkelvoud. In het Ests zouden dit twee verschillende suffixen zijn geweest. Ook kent het Nederlands geen apart suffix voor de imperatief, maar wordt het werkwoord ‘zouden’ gebruikt. Vooral het feit dat er twee verschillende soorten suffixen zijn in het Ests, maar meestal maar één (zichtbaar) of zelfs geen suffix in het Nederlands, zal voor een Ests tweede taalleerder van het Nederlands lastig zijn.

Infinitieve vormen

Onder de infinitieven vallen de infinitieven, gerundium en deelwoorden. De infinitieven hebben naast de basisvorm, ook de inessief (‘in’), elatief (‘eruit’), translatief (‘tot’) en abessief (‘zonder’) naamval en een passieve vorm. De infinitief wordt gemaakt met het suffix –ma of –da met daarachter de bijbehorende naamvalsuitgang. Het gerundium wordt ook wel de des-vorm genoemd, vanwege het achtervoegsel –des. De deelwoorden worden onderverdeeld in het verledentijdsdeelwoord actief met het achtervoegsel –nud (palunud ‘gebedeld’) en het verledentijdsdeelwoord passief met het achtervoegsel –tud (palutud ‘was gebedeld’).

Het werkwoord ‘hebben’

Net als het Fins, heeft het Ests geen werkwoord ‘hebben’. Om een bezit aan te duiden wordt het werwoord olema ‘zijn’ met de juiste vervoeging gebruikt en krijgt het onderwerp de naamval dat plaats aanduidt (14).

(14) M-ul on auto.
ik-ADE is.3EV auto
‘Ik heb een auto.’

Ontkenning

Er zijn twee verschillende manieren om een ontkenning te maken in het Ests. Het negatiepartikel ei wordt gebruikt in de indicatief en conditionele wijs en wordt voor het hoofdwerkwoord van de zin geplaatst. Het hoofdwerkwoord is dan alleen gemarkeerd voor wijze en tijd (15).

(15) Ma ei kuula.
ik NEG luisteren.TT
‘Ik luister niet.’

Als een activiteit verboden wordt, wordt gebruik gemaakt van het werkwoord ära ‘doen’ (16).

(16) Ärgu ei kuula!
doen.3EV.IMP NEG luisteren.TT
‘Luister niet!’

naar boven

2.3 Syntaxis

De meest gebruikte woordvolgorde in een normale zin in het Ests is SVX. Het subject van de zin staat vooraan, gevolgd door het werkwoord en de eventuele rest van de zin. In het Nederlands hebben zinsdelen in hoofdzinnen dezelfde volgorde. Dit zou dus geen probleem moeten opleveren bij het leren van het Nederlands.
Omgekeerde zinnen hebben, zoals de naam ook zegt, een omgekeerde volgorde: XVS. De zin begint dan met een bijwoordelijke of indirect object dat plaats, tijd, bezitter of lijdend voorwerp uitdrukt. Als er een subject in de zin voorkomt, staat deze in de partitief naamval. De semantische types van de omgekeerde zinnen zijn: extentieel, possessief, experimentele zinnen of zinnen die een toestand uitdrukken.

naar boven

2.4 Pragmatiek

In vergelijking tot moeders van Zweedse en Amerikaanse baby’s, gebruiken Estse moeders meer imperatieven en proberen ze het gedrag van een baby, maar ook in de jaren daarna, te controleren. Daarnaast vroegen ze hun baby’s minder vaak om deel te nemen aan gesprekken. Hierdoor wordt verwacht dat Estse kinderen minder praten dan Zweedse of Amerikaanse kinderen, zelf in hun tienerjaren. Ze zullen niet zo snel hun persoonlijke behoeftes en meningen talig weergeven. Wat beleefdheid betreft, geven Estse moeders vooral direct commentaar, in plaats van indirect. Dit wordt in het Nederlands als onbeleefd gezien. Ook komt het zeggen van ‘alsjeblieft’ en ‘dankjewel’ pas op een latere leeftijd in de taal van het kind. Een bekend vooroordeel is dan ook dat Estland behoort tot de ‘stille Scandinavische en Noord-Europese regio’, waar de mensen bekend staan om weinig te zeggen en alleen te praten als het echt nodig is. Weinig praten zou in Nederland gezien kunnen worden als kenmerk van het nog niet goed genoeg beheersen van de taal. Dit hoeft dus echter niet zo te zijn en een kind dat Nederlands leert, kan ook weinig zeggen doordat het in de moedertaal ook niet gewend is om veel te zeggen.

naar boven

3. Verwervingsvolgorde

Helaas is er geen informatie gevonden over de verwervingsvolgorde van het Ests. Aangezien het Ests nauw verwant is aan het Fins, wordt verwacht dat deze talen dezelfde volgorde zullen tonen. Meer informatie hierover is te vinden in het hoofdstuk ‘Verwervingsvolgorde Fins’ van deze Wiki.

naar boven

4. Informatie taalstoornissen

Er is helaas niet veel informatie gevonden over Estse taalstoornissen. Hieronder staan de uitkomsten van twee verschillende onderzoeken die gedaan zijn. In het eerste onderzoek is onderzocht of Estse kinderen op een andere manier samengestelde woorden maken. In het tweede onderzoek is de manier van verhaalvertelling onderzocht bij Este kinderen in vergelijking tot Engelse kinderen, met en zonder taalstoornis.

Uit onderzoek van Padrik en Tamtik (2009) is gebleken dat Estse kinderen met SLI meer fouten maken met samengestelde woorden dan Estse kinderen zonder SLI. Estse samenstellingen worden hetzelfde gevormd als in het Nederlands: het hoofd van de samenstelling is aan het tweede deel van het woord en de klemtoon ligt op het eerste deel. Een voorbeeld hiervan is ‘vogelkooi’. Bij dit woord gaat het om een soort kooi waar een vogel in kan en ligt de klemtoon op het woord ‘vogel’. Estse kinderen bleken vaker de fout te maken om het eerste deel als hoofd te beschouwen dan de normaal ontwikkelende kinderen. Omdat het vormen van samenstellingen gelijkend is op het Nederlands, kan verwacht worden dat Estse kinderen deze fout ook zouden kunnen maken als ze Nederlands leren.

In het onderzoek van Soodla en Kikas (2010) werd onderzocht of er een verschil zit in de manier van verhaalvertelling van Estse kinderen met en zonder een taalstoornis en Engelse kinderen met en zonder een taalstoornis. Het bleek dat de Estse kinderen dezelfde macrostructuur in het vertellen van een verhaal lieten zien als de Engelse kinderen. Ze hadden het allemaal over de gebeurtenissen en handelingen die plaatsvonden. Alleen het wel of niet vertellen van de setting van het verhaal, verschilde tussen de groepen. Dit werd vaker verteld bij kinderen met een hoge taalvaardigheid dan kinderen met een lage taalvaardigheid of met een taalstoornis. Over het algemeen gezien vertellen de kinderen met een taalstoornis minder informatieve verhalen dan de normaal ontwikkelende kinderen.

naar boven

5. Afkortingen

3: derde persoon
ADE: adessief
BRE: breuk
COMP: comperatief
EV: enkelvoud
GEN: genitief
IMP: imperatief
MV: meervoud
NEG: negatief
NOM: nominatief
ORD: ordinaal
SUP: superlatief
TT: tegenwoordige tijd

naar boven

6. Literatuur

Erelt, M. (2003). Estonian language. Tallinn: Estonian Academy Publishers.
Harms, R. (1962). Estonian grammar. Bloomington: Indiana University.
Padrik, M. en Tamtik, M. (2009). Comprehension and production of noun compounds by Estonian children with specific language impairment. Clinical Linguistics Phonetics, 23(5), p. 375-391.
Raun, A., & Saareste, A. (1965). Introduction to Estonian linguistics. Wiesbaden: O. Harrassowitz.
Soodla, P. en Kikas, E. (2010). Macrostructure in the Narratives of Estonian Children With Typical Development and Language Impairment. Journal of Speech, Language, and Hearing Research, 53(5), p. 1321-1333.
Tauli, V. (1973). Standard Estonian grammar, Part I: Phonology, morphology, word-formation. Uppsala: Acta Universitatis Upsaliensis.
Tauli, V. (1983). Standard Estonian grammar, Part II: Syntax. Uppsala: Acta Universitatis Upsaliensis.
Tulviste, T. en De Geer, B. (2009). Autonomy orientation in Estonian and Swedish family interactions. Pragmatics, 19(2), 279-291.

http://en.wikipedia.org/wiki/Estonian_language
http://estonianlanguage.blogspot.nl/
http://mylanguages.org/learn_estonian.php


naar boven