door Dominique Spierings & Femke Tijhuis

Wanneer men denkt aan meertaligheid, zal dit niet direct worden geassocieerd met een dialect als tweede taal. Toch kan er ook worden gesproken van meertaligheid wanneer iemand naast de standaardtaal een dialect spreekt. Zoals Jacomine Nortier (2009) dit mooi zegt: “Of het nu talen of dialecten zijn, (…) voor de sprekers zijn het echt twee verschillende systemen, die in verschillende situaties en omgevingen, met verschillende gesprekspartners en voor verschillende onderwerpen kunnen worden gebruikt.” Er zijn in Nederland veel dialecten. Een dialect is, net zoals het Standaard Nederlands, een variëteit van het Nederlands. Een absolute misvatting is dus dat de dialecten een ‘versimpeling’ of een variant zouden zijn van het Standaard Nederlands. Integendeel. De dialecten zijn vele jaren ouder dan het Standaard Nederlands en minstens even zo complex.

In Nederland zijn er veel dialecten (zoals op afbeelding 1 te zien is). Op deze pagina zullen het Nedersaksisch, het Limburgs, Het Zeeuws en het Brabantse dialect besproken worden. Er is voor deze vier dialecten gekozen om twee redenen. Allereerst blijkt dat wanneer de Nederlandse dialecten met elkaar vergeleken worden op de fonetische kenmerken, het Limburgs de meest opvallende en het grootste aantal eigen kenmerken heeft. Hierop volgt het Nedersaksische dialect. De tweede reden is dat deze vier streektalen nog relatief ‘levend’ zijn, ze worden redelijk frequent gebruikt in het alledaagse leven. Zo zegt zo’n 60 tot 80 procent van de Twentenaren in het dagelijks leven het Twentse dialect (een variant van het Nedersaksische dialect) te spreken.


dialecten in nederland.gif

Afbeelding 1. Dialecten in Nederlands taalgebied.Bron: http://taal.phileon.nl/kaart/hoppenbrouwers.php


dialectgebruik.gif
Afbeelding 2: Dialectgebruik in NederlandBron: http://taal.phileon.nl/kaart/dialectgebruik.php

1. Algemene informatie

1.1 Het Nedersaksisch
Het Nedersaksisch dialect komt voornamelijk voor in het Noorden en Oosten van het land in de provincies Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland (de Veluwe en de Achterhoek) en in zuidelijk deel van Friesland (Stellingwerven). Het Nedersaksisch is sinds 1996 een officieel erkende streektaal. Het Nedersaksisch heeft verschillende varianten. Zo zijn er verschillen tussen de Drentse en de Groningse variant van het Nedersaksisch. Op afbeelding 3 staan de varianten van het Nedersaksische dialect overzichtelijk afgebeeld.

varianten nedersaksisch.png
Afbeelding 3: Varianten van het Nedersaksische dialect

Het gebruik van het Nedersaksisch was tot 2012 sterk aan het afnemen. Er lijkt echter weer een soort opleving bezig te zijn. Zo blijkt dat nu maar liefst 60% van de inwoners in Groningen dialect spreekt (de Groningse variant van het Saksisch). Er worden ook steeds meer culturele activiteiten als cabaret, toneel en tentoonstellingen in musea in het Nedersaksisch georganiseerd. Ook zijn er Nedersaksische kerkdiensten en bibliotheken. In de marketing wordt dialect ook steeds vaker ingezet, zoals bijvoorbeeld in de bekende ‘car glass’ reclame. Uit onderzoek blijkt dat mensen reclames in dialect hoger waarderen dan reclames in ABN.

1.2 Het Limburgs
Zoals de naam al verklapt wordt het Limburgs vooral in de provincie Limburg gesproken, in zowel Belgisch als Nederlands Limburg. Het Limburgse dialect is sinds 1997 erkend als streektaal in Nederland.
regio limburgs.png
Afbeelding 4: Regio’s waar het Limburgse dialect wordt gesproken
Net zoals in het Nedersaksisch, zijn er in het Limburgse dialect veel varianten aanwezig. Het Limburgs is een zeer levende streektaal, zo’n 75% van de inwoners van Limburg zegt het Limburgs dialect te spreken. Het verschil met andere dialecten in Nederland, is dat het Limburgs geen lage sociale status heeft. Bovendien heeft het een sterke sociale en culturele positie.

1.3 Het Zeeuws
Zeeuws is een verzamelnaam voor de dialecten die worden gesproken in het Zuid-Westen van Nederland, voornamelijk in de provincie Zeeland. In Zeeuws-Vlaanderen worden in grote lijnen drie dialecten onderscheiden: West-Zeeuws-Vlaams, Land van Axels en het Oost-Vlaams. De dialecten verschillen onderling veel van elkaar.

zeeuws.png
Afbeelding 5: Regio's waar het Zeeuwse dialect wordt gesproken

1.4 Het Brabants
Het Brabants wordt, zoals de naam al zegt, gesproken in de Nederlandse provincie Noord-Brabant en in de Belgische provincies Antwerpen, Vlaams-Brabant en Oost-Vlaanderen. In Nederland werd in 2005 een enquête verricht onder Brabanders en daaruit bleek dat 72,1% dialect spreekt (Giesbers, 2008).
brabants.png
Afbeelding 6: Regio's waar het Brabantse dialect wordt gesproken


2. Taalspecifieke informatie

Om te kunnen onderzoeken of een bepaalde fout in de taalproductie in het Nederlands komt door een taalstoornis of door een transfer-fout uit het dialect, is hieronder taalspecifieke informatie beschreven van de twee betreffende dialecten. Zoals hierboven al is beschreven, blijken zowel het Nedersaksisch als het Limburgs veel varianten te hebben en blijkt dat er bovendien veel intra- en interspreker variabiliteit aanwezig is. Toch is er geprobeerd te zoeken naar gemeenschappelijke kenmerken. Alhoewel ik zoveel mogelijk de gemeenschappelijke kenmerken probeer te beschrijven zal ik af en toe ook eigenschappen beschrijven van een specifieke variant van het Nedersaksisch of het Limburgs (bijvoorbeeld het Gronings). In zo’n geval laat deze variant een typische eigenschap zien die niet met het Standaard Nederlands overeenkomt waardoor ik het toch van belang vind om die te noemen. Per dialect zullen de fonologische, morfologische en de syntactische eigenschappen besproken worden.

2.1 Het Nedersaksisch
2.1.1. Fonologie
De verschillen tussen de variëteiten van het Nederlands zullen vooral te vinden zijn in de fonologie. Immers, “variatie in klanken en in uitspraak is waarschijnlijk de taaiste die er bestaat in taal”, aldus Nicoline van der Sijs. Elk dialect heeft een aantal fonologische/fonetische kenmerken die zeer typerend zijn voor dat dialect. In de bespreking van de fonologie van de dialecten zullen steeds de onderscheidende kenmerken ten opzichte van het Standaard Nederlands worden weergegeven, aangezien dat de taal is die algemeen bekend is en vaak in het onderwijs geleerd wordt.

Medeklinkers
Syllabisch/lettergreepdragende slotmedeklinker:
De meest karakteristieke eigenschap van het Nedersaksische dialect is wat veel ook wel het ‘inslikken’ van of het ‘knauwen’ op de laatste –n noemen. Een voorbeeld hiervan is in het woord ‘eten’. De sjwa in de laatste lettergreep die in het Standaard Nederlands wel wordt uitgesproken wordt in het Nedersaksische dialect gedeleerd, waardoor de slot –n de drager wordt van de laatste lettergreep. Het deleren van de woordfinale schwa wordt ook wel apocope genoemd. Overigens is het niet alleen de slot /n/ die lettergreepdragend kan zijn, het komt ook voor bij andere slot medeklinkers. Enkele voorbeelden:

Etn (= eten)
Loopm (= lopen)
Werkng (= werken)

Zoals in bovenstaande voorbeelden te zien is, wordt niet alleen de schwa gedeleerd, de laatste slotmedeklinker verandert ook. Deze verandert in een klank die dezelfde articulatieplaats heeft als de klank ervoor. Zo wordt de /n/ gemaakt door de voorkant van de tong vlak achter de tanden te plaatsen, net zoals de /t/. De /m/ wordt, net zoals de /p/, geproduceerd door de lippen op elkaar te drukken en in zowel de /k/ als de /ng/ wordt de achterkant van de tong tegen het zachte verhemelte geplaatst.

Deletie intervocalische medeklinkers:
In het Noordelijkste puntje van Groningen zijn bovenstaande woorden die eindigen op –en aan nog een verandering onderhevig. De middelste medeklinkers verdwijnen namelijk helemaal (in bovenstaande voorbeelden de /t/, /p/, en de /k/). Hiervoor in de plaats wordt een glottisslag geproduceerd. Dit is een kort klikje van de stembanden die tegen elkaar slaan. Op die manier ontstaat er een plofje zonder dat er iets met de mond wordt gedaan. Dit gebeurt in het Standaard Nederlands bijvoorbeeld bij het woord ‘beademen’ tussen /e/ en /a/. De bovenstaande woorden worden dan uitgesproken als:

E’n (= eten)
Lo’n (= lopen)
Wer’ng (= werken)

Wanneer de medeklinkers in een intervocalische positie (tussen twee klinkers) het fonetische kenmerk continuant hebben worden ze ook vaak gedeleerd. Dit gebeurt echter niet in alle Nedersaksische variëteiten, maar vooral in het Zuid-Drents en het Sallands. Het kenmerk continuant geeft aan dat de luchtstroom in het mondkanaal niet geheel wordt afgesloten (zoals dit wel gebeurt bij plofklanken en nasalen). Het gaat dan om de wrijfklanken (/s/, /z/, /f/ en /v/), de halfvocalen (/j/ en /w/) en liquidae (/l/ en /r/).
Enkele voorbeelden:

Geem (= geven)
Aomt (= avond)

Stemloze medeklinkers in intervocalische positie:
In het Gronings doet zich een ander opvallende verschijning voor bij stemloze medeklinkers in een intervocalische positie (/k/, /p/, /s/, /t/, /f/). Wanneer deze gevolgd worden door een –e krijgen deze medeklinkers de eigenschap stemhebbend. Een aantal voorbeelden hiervan:

Widde (= witte)
Klombe (= klomp)
Mogge (= mok)

Klinkers
Klinkerverandering:
Klinkers die in het Standaard Nederlands achter in de mond worden gerealiseerd, worden in het Nedersaksisch voor in de mond gearticuleerd, ze worden ‘gefront’. Hierdoor ontstaat er een klinkerverandering in veel woorden:

/uu/ in het Standaard Nederlands wordt uitgesproken als /oe/, bijvoorbeeld in zoer (= zuur)
/aa/ in het Standaard Nederlands wordt uitgesproken als /oo/-achtige klank, bijvoorbeeld in drôôd (= draad)
/oo/ in het Standaard Nederlands wordt uitgesproken als /eu/, bijvoorbeeld in ‘hij keupt’ (= hij koopt)
/ij/ in het Standaard Nederlands wordt uitgesproken als /ie/, bijvoorbeeld in blieven (= blijven)

Dit verschijnsel van het naar voren plaatsen van de tong bij klinkers is wat het woord umlaut betekent.

2.1.2. Morfologie
Naast de variatie in klanken, zijn er ook afwijkingen in de morfosyntactische vervoegingen en woordvolgordes ten opzichte van het Standaard Nederlands. Hieronder zullen deze weer besproken worden.

Werkwoordsvervoeging
Voornaamwoorden:
In het Nedersaksisch worden dezelfde naamvallen gebruikt als in het Standaard Nederlands. Wel worden er andere namen aan gegeven, net zoals aan de bezittelijk voornaamwoorden:
Persoonlijk
voornaamwoord
1e naamval
persoonlijk
voornaamwoord
3e, 4e naamval
Bezittelijk
voornaamwoord
ik
mie
mien
doe
die
dien
hai
hom
zien
zai
heur
heur
t


wie
os
os
ie
joe
joen
zai
heur
heur
Tabel 1. de voornaamwoorden

Tegenwoordige tijd:
In de vervoeging van zwakke (regelmatige) werkwoorden in de tegenwoordige tijd zit veel variatie per variant van het Nedersaksisch dialect. Over het algemeen gelden bijna dezelfde regels als in het Standaard Nederlands, met uitzondering op de tweede persoon enkelvoud.
1e persoon ev (ik
stam
2e persoon ev (jij)
stam + -s(t)
3e persoon ev (hij, zij, het)
stam + -t
1e persoon mv (wij)
stam + -en
2e persoon mv (jullie)
stam + -en
3e persoon mv (zij)
stam + -en
Tabel 2. Uitgangen tegenwoordige tijd. NB: ev = enkelvoud, mv = meervoud

In het Gronings komt het voor dat het voornaamwoord ‘doe’ (tweede persoon enkelvoud) wordt weggelaten wanneer het in subject-positie staat (nominatief). Dat wordt ook wel pro-drop genoemd en komt bijvoorbeeld ook voor in het Italiaans. Door de uitgang –s achter de stam van het werkwoord hoort men namelijk dat het om tweede persoon enkelvoud gaat en is ‘doe’ overbodig. Een voorbeeld:

‘doe’ wel gebruikt: Kinstoe bloumen nog even water geven?
‘doe’ weggelaten: Kins bloumen nog even woater geven? (meest gebruikte vorm)
Vertaling: Kun je de bloemen nog even wat er geven?

Sommige werkwoorden in het Gronings hebben een nauwere relatie met het bijbehorende object dan in het Standaard Nederlands. Een voorbeeld hiervan is televisie kijken of aardappels schillen, wat in het Standaard Nederlands twee verschillende woorden zijn. In het Gronings wordt dit gereduceerd tot één werkwoord: televisiekieken en eerappelschillen. Deze samengevoegde werkwoorden worden in het Gronings niet vervoegt. In plaats daarvan wordt het voorzetsel ‘te’ voor het werkwoord geplaatst. Een voorbeeld:

Ik zat te eerappelschillen.
Vertaling: ik zat aardappels te schillen.

Een uitzondering:
Wanneer het woord ‘om’ wordt gebruikt zoals in de zin: “ik kwam om televisie te kijken”, moet het werkwoord wel worden opgedeeld in twee woorden. Dan ontstaat de zin: “ik kwam om televisie te kieken”. Hier is het niet toegestaan om te zeggen: “ik kwam om te televisiekieken”.

Voltooid deelwoord:
In het vormen van een voltooid deelwoord wordt er in het Standaard Nederlands het voorvoegsel ge- gebruikt. Dit is echter niet het geval in het Nedersaksisch. Er zijn een aantal varianten die in het Nedersaksische dialect voorkomen. In het Noorden wordt er bijvoorbeeld helemaal geen voorvoegsel geplaatst en ontstaan de volgende voltooid deelwoorden:

Ik ben komen (= ik ben gekomen)
Ik heb danst (= ik heb gedanst)

In Drenthe, Overijssel, de Achterhoek en de Veluwe gebruiken ze alleen e- als voorvoegsel bij het vormen van een voltooid deelwoord. Hierdoor ontstaan werkwoorden als:

Ik heb egeten.
Ik heb edanst.

Vervoeging van het voegwoord:
Het Nedersaksisch kent vervoegingen van de voegwoorden in de tweede persoon enkelvoud (jij-vorm). Het voegwoord krijgt dan de uitgang die het werkwoord ook krijgt in de tweede persoon enkelvoud. Dit gebeurt vooral bij de voegwoorden ‘dat’ en ‘of’. Een voorbeeld:

Ik wol dast kommen wast.
Vertaling: ik wou dat je gekomen was.

T bouk dast leest.
Vertaling: het boek dat je leest.

Meervoudsvorming
Over het algemeen komt er in de meervoudsvorming van zelfstandig naamwoorden een –n achter de enkelvoudige vorm (in het Standaard Nederlands –en). Opvallend is dat er in een aantal regio’s waar het Nedersaksisch wordt gesproken een –e achter het (vrouwelijk) enkelvoudig zelfstandig naamwoord wordt gerealiseerd.

Naast de toevoeging van een lettergreep is er nog een belangrijke, karakteristiekere gebeurtenis bij de meervoudsvorming, namelijk de klinkerverandering. In de meervoudsvorm wordt de klinker met een umlaut uitgesproken. Hierdoor ontstaat ook wel het eerder genoemde ‘fronting’, waarbij de klinkers meer voor in de mond uitgesproken worden. Een voorbeeld:

Gast – geste

Verkleinwoord
Bij het vormen van een verkleinwoord worden andere achtervoegsels gebruikt in verschillende regio’s. Zo krijgt het verkleinwoord in Overijssel en Gelderland het achtervoegsel –ken (en varianten hierop: -ke(n), etc.), terwijl in het Noorden van Overijssel het achtervoegsel –gien wordt gebruikt. In de meeste gevallen roepen deze achtervoegsels een klinkerverandering (umlaut) op, maar dit is niet in alle regio’s van het Nedersaksisch dialect.

Adjectief
Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden krijgen een umlaut. Voorbeeld:
Holt (= hout) als zelfstandig naamwoord wordt höltn (= houten) wanneer het als adjectief wordt gebruikt.

2.1.3. Syntaxis
Band lek – constructie
In het Oosten van het land komt de zogenaamde ‘band lek’-constructie vaak voor. Het gaat om een combinatie van hebben (of krijgen), een lijdend voorwerp, een bepaling van gesteldheid en een definiet lidwoord (de of het). Een voorbeeld:

Ik heb de band lek.
Hij heeft de vrouw ziek.

In het Standaard Nederlands is deze constructie alleen aanwezig wanneer het gaat om lichaamsdelen. Bekende uitdrukkingen zijn ‘licht in het hoofd’ en ‘slap in de enkels’.

Een aantal kenmerken van deze constructie zijn dat het onderwerp persoonlijk is en dat tussen het onderwerp (subject) en het lijdend voorwerp (object) er sprake is van een bezitsrelatie. Mogelijk is het werkwoord ‘hebben’ in deze constructie nauw verwant met ‘bezitten’.

Belangrijk is overigens dat de laatste zin anders is dan: hij heeft een zieke vrouw. In de zin: hij heeft de vrouw ziek, is er namelijk sprake van een tijdelijke aard.

Woordvolgorde
Hulpwerkwoorden
Het Nedersaksisch heeft veel kenmerken van het Duits. Zo komt in het Gronings het hulpwerkwoord achteraan de zin, net zoals in de Duitse taal. Een voorbeeld:

Zeg mor davve nai’ kommen willen.
Vertaling: zeg maar dat we niet willen komen.

Hulpwerkwoorden die ‘tijd’ aangeven, zoals ‘gaan’, ‘staan’, ‘doen’, etc., worden in het Gronings tot een voltooid deelwoord gevormd: (het voltooid deelwoord wordt in het Nedersaksisch zonder voorvoegsel ge- gevormd)

Ik heb n uur wachten stoan.
Vertaling letterlijk: *ik heb een uur wachten gestaan.
Vertaling Standaard Nederlands: ik heb een uur staan wachten.

T is regenen goan.
Vertaling letterlijk: *het is regenen gegaan.
Vertaling Standaard Nederlands: het is gaan regenen.

In het meer zuidelijke deel van de Nedersaksische regio’s wordt het hoofdwerkwoord juist achteraan de zin geplaatst:

Ik vind dat Arno dat aan zijn moeder moet vragen.

Wanneer er sprake is van een verleden deelwoord is er echter wel de voorkeur om het hulpwerkwoord achteraan in de zin te plaatsen:

Chris hoopt dat Erik het cadeau gegeven heeft.

Werkwoordclusters met drie werkwoorden
In het Noorden hebben ze een voorkeur voor een werkwoordvolgorde die, ondanks de vele mogelijkheden in de woordvolgorde van het Standaard Nederlands, elders in Nederland zeer zeldzaam voorkomt. Deze volgorde is precies omgekeerd van de volgorde die men in het Standaard Nederlands zou verwachten. Meestal komt eerst het vervoegde hulpwerkwoord/modaal werkwoord, vervolgens het tweede hulpwerkwoord als infinitief, en tot slot het hoofdwerkwoord. Een voorbeeld:

Ik vind dat iedereen moet kunnen zwemmen.

In het Gronings komt juist het hoofdwerkwoord telkens als eerste (zwemmen), vervolgens het eerste modale werkwoord (infinitief: kunnen) en tot slot het tweede modale werkwoord (moet). Hierdoor ontstaat:

Ik vind dat iedereen zwemmen kunnen moet.

In een cluster met een modaal werkwoord (moet), een hulpwerkwoord van tijd (hebben) en een hoofdwerkwoord ontstaat de volgende woordvolgorde:

Ik vind dat Jan de wagen voor drie uur gemaakt hebben moet.

Binnen een werkwoordcluster met hulpwerkwoord van tijd (is), aspectueel/modaal hulpwerkwoord (gegaan) en hoofdwerkwoord, is er de volgende volgorde:

Ik weet dat hij zwemmen gegaan is.

Hulpwerkwoord verdubbeling
In het Standaard Nederlands wordt een passief gemaakt door een combinatie van het werkwoord ‘zijn’ en een voltooid deelwoord: Het huis is verkocht.
In Groningen en Drenthe, maar ook in de zuidelijke Limburgse dialecten wordt er nog een extra voltooid deelwoord toegevoegd:

Het huis is verkocht geworden/geweest.

Dit komt waarschijnlijk door het verschijnsel ‘hulpwerkwoord verdubbeling’. Er wordt dan een tweede hulpwerkwoord aan de zin toegevoegd in een voltooide vorm:

Ik heb dat gezegd gehad.
Ik heb vandaag nog niet gerookt gehad.

Mogelijk is dit afkomstig uit het Duits, waar de constructie met geworden in het Standaard Duits systematisch voorkomt.

Bijzin
Wanneer een bijzin wordt gekoppeld aan een hoofdzin middels het voegwoord ‘dat’, zal de woordvolgorde van de bijzin zoals een hoofdzin zijn.

Hai zee dat hai haar zien noaber zitten zain.
Vertaling letterlijk: *Hij zei dat hij had zijn buurman zitten gezien.
Vertaling Standaard Nederlands: Hij zei dat hij zijn buurman had zien zitten.

2.2. Het Limburgs
2.2.1 Fonologie
Het Limburgse dialect is het ideale voorbeeld van de eerder besproken kanttekening dat er veel variatie bestaat binnen een dialect. Het Limburgse dialect bestaat uit meerdere dialecten en er zijn veel verschillen tussen deze dialecten. Toch zijn er een aantal gemeenschappelijke kenmerken te noemen van het Limburgs.
Naast natuurlijk ‘de zachte g’ is het meest stereotype kenmerk van het Limburgs wat veel ook wel het ‘zingen’ van de taal genoemd wordt. Dit heeft te maken met de toonverschillen in het Limburgse dialect die leiden tot een betekenisverschil. Deze polytonie (het systeem van de verschillende tonen) is in geen enkel andere variëteit van het Nederlands terug te vinden.

Polytonie:
In het Limburgs zijn twee tonen te onderscheiden, namelijk de stoottoon, waarin de toon hoog begint en vervolgens snel naar beneden gaat, en de sleeptoon, waarin de toon op consequente hoogte blijft. Deze toonaccenten hebben grammaticale en woord-onderscheidende functies. Bijna elke beklemtoonde klinker wordt met een van de twee toonaccenten gerealiseerd. Welke tonen worden gebruikt in een woord verschilt dan weer per dialect. Een voorbeeld:

‘bie’ met een valtoon betekent ‘insect’.
‘bie’ met een sleeptoon wordt gebruikt als een voorzetsel met als betekenis ‘in de buurt van’.

Medeklinkers
De uitspraak van de /r/:
Een ander kenmerk van het Limburgs is de /r/ die redelijk achter in de keel wordt uitgesproken, ook wel de ‘schraap-r’ genoemd. Deze klank lijkt sterk op de harde /g/. Nu is het meteen belangrijk om hierbij te zeggen dat er geen enkele andere klank zoveel variatie kent als de /r/. Binnen bijna ieder dorp zijn wel mensen die de /r/ weer op een andere manier uitspreken. Toch is de ‘schraap-r’ wel redelijk karakteristiek voor het Limburgs.

De uitspraak van de /g/:
Er is een tendens aanwezig in het Limburgs in de medeklinker /g/. Er vindt in veel woorden een verschuiving van de /g/ naar de /j/ plaats. Dit gebeurt bijvoorbeeld in:

Bejisse (=begieten)
Jèève (= geven)
Jedoa (= gedaan)

Ook in een combinatie van de /s/ en de /g/-klank is deze verschuiving aanwezig:
Sjeep (= schip)

De uitspraak van stemloze fricatieven:
Tot slot hebben sprekers van het Limburgse dialect de gewoonte om de stemloze fricatief /s/ stemhebbend te maken wanneer deze in de beginpositie staat. Waar Amsterdammers de stemhebbende fricatief /z/ in een beginpositie stemloos maken, zoals in ‘seven’ (= zeven), doen de sprekers van de Limburgse tongval precies het tegenovergestelde.

2.2.2. Morfologie
Werkwoordvervoeging
Persoonlijk voornaamwoorden:
In het Limburgs worden andere woorden gebruikt voor persoonlijk en bezittelijk voornaamwoorden dan in het Standaard Nederlands:

Persoonlijk
voornaamwoord
1e naamval
persoonlijk
voornaamwoord
3e, 4e naamval
ich
mich
doe, dich, de
dich
hae, 'r
häöm
zie, 't
ze, häör, häöm
't, het
't, het
veer
ós
geer, deer
uch
zie
ze
Tabel 3. persoonlijk voornaamwoorden

Tegenwoordige tijd & verleden tijd:
De uitgangen van de regelmatige werkwoorden zijn in veel varianten van het Limburgs verschillend. Hieronder staan twee schema’s waar de werkwoord vervoeging van twee verschillende varianten wordt weergegeven.
Weert
Tegenwoordige tijd
Verleden tijd
1e persoon ev (ik)
Stam + ø
Stam + -dje
2e persoon ev (jij)
Stam + -tj
Stam + -dje
3e persoon ev (hij, zij, het)
Stam + -tj
Stam + -dje
1e persoon mv (wij)
Stam + -e
Stam + -dje
2e persoon mv (jullie)
Stam + -tj
Stam + -dje
3e persoon mv (zij)
Stam + -e
Stam + -dje
Tabel 4. Werkwoord uitgangen in Weerts.

Roermond
Tegenwoordige tijd
Verleden tijd
1e persoon ev (ik)
Stam + ø
Stam + -de
2e persoon ev (jij)
Stam + -s
Stam + -des
3e persoon ev (hij, zij, het)
Stam + ø
Stam + -de
1e persoon mv (wij)
Stam + -e
Stam + -de
2e persoon mv (jullie)
Stam + ø
Stam + -de
3e persoon mv (zij)
Stam + -e
Stam + -de
Tabel 5. Werkwoord uitgangen in Roermonds.

Meestal neemt de laatste medeklinker van de stam de fonetische eigenschappen van de /d/ over. Zo wordt de stemloze /p/ een stemhebbende /b/ in bijvoorbeeld ‘gaabde’ (= gapen). Dit wordt ook wel assimilatie genoemd.

Voor meer informatie over de werkwoordspelling van andere dialecten verwijs ik u graag door naar de website waar de spelling per Limburgs dialect beschreven staat.

Constructie ‘ge- + -s’
Een werkwoord dat als zelfstandig naamwoord wordt gebruikt (bijvoorbeeld: het geklap, het gebrul) wordt in het Limburgs gevormd met het voorvoegsel ge- (zoals ook in Standaard Nederlands), maar tevens wordt hier een –s achter gevoegd. Hierdoor ontstaan vormen als:
Geklaps (geklap)
Gebruls (gebrul)

Deze constructie is ook terug te vinden in zelfstandig naamwoorden die een collectief begrip uitdrukken:
Geraems (geraamte)

Meervoudsvorming
Een aantal manieren van meervoudsvorming zijn ook al in de fonologie-paragraaf aan bod gekomen. Zo kan met behulp van een toonverschil aan worden gegeven of het om een meervoud of een enkelvoud gaat. Een voorbeeld hiervan:

Bein met sleeptoon = één been
Bein met stoottoon = twee benen

Daarnaast wordt in veel gevallen het meervoud gevormd door middel van een umlaut op de klinker. Dit gebeurt alleen bij ‘achter’ klinkers, oftewel klinkers die achter in de mond gerealiseerd worden.

Tak – tek
Poot – peut
Haos - häös

Diminutief
Bij het verkleinen van zelfstandig naamwoorden komt er vaak –ske of –ke achter het zelfstandig naamwoord (in het Standaard Nederlands: -tje, -je) en vindt er een klinkerverandering plaats. Er komt namelijk een umlaut op de klinker in het zelfstandig naamwoord. Voorbeeld:

Daak – daekske
Tas – teske
Baom - bäömke

Geslacht
In het Standaard Nederlands bestaan er drie soorten lidwoorden. Er kan een onderscheid worden gemaakt in bepaaldheid. Zo heb je het onbepaalde lidwoord (een) en de bepaalde lidwoorden (de hond, het boek). Ook kan er een onderscheid worden gemaakt in meervoud of enkelvoud (de hond vs. de honden, het boek vs. de boeken)

De vorm van deze lidwoorden veranderen niet wanneer het voor een mannelijk woord staat of juist een vrouwelijk woord. In het Limburgs is dit anders, daar is in het onbepaalde lidwoord te zien of het gaat om een mannelijk, vrouwelijk of onzijdig zelfstandig naamwoord. De geslachtsvormen worden niet alleen uitgedrukt in de lidwoorden, maar ook in de adjectieven en in de bezittelijk voornaamwoorden (2e persoon).


Vrouwelijk
Mannelijk
Onzijdig
Lidwoord
Ein (‘n)
Eine (‘ne)
Uitzondering: wanneer het woord begint met /d/, /t/, /h/, een klinker of tweeklank, wordt het lidwoord: einen / ‘nen
Ei (e)
Adjectief
Uitgang: -e
‘Ein groete heks’
Uitgang: -en
‘Eine groeten aap’
Uitgang: ø
‘Ei groet dörp’
Bezittelijk voornaamwoord ‘mijn’
Mî:n
(stoottoon)
‘mî:n taofel’ (= mijn tafel)
Mîne
‘mîne sjtool’ (= mijn stoel)
Mî(n)
‘mî book’ (= mijn boek)
Bezittelijk voornaamwoord ‘jouw’
Dî:n
(stoottoon)
Dîne
Dî(n)
Bezittelijk voornaamwoord ‘zijn’
Zî:n
(stoottoon)
Zîne
Zî(n)
Tabel 5. Geslacht in het Limburgs.


Een uitzondering:
Verwantschapsnamen op –er (vader, moder, zöster, etc.) krijgen het onzijdige bezittelijk voornaamwoord. Verwantschapsnamen die niet op –er eindigen krijgen ook vaak de onzijdige vorm.

2.2.3. Syntaxis
In het Limburgs zijn er veel woordvolgordes mogelijk en deze wijken eigenlijk nauwelijks af van het Standaard Nederlands. Daarnaast heeft het Limburgs een paar overeenkomsten in de syntaxis met het Nedersaksisch. De bovengenoemde ‘band lek’-constructie komt niet alleen in het Noorden van het land voor, ook in het zuiden wordt de constructie vaak gebruikt. Op het volgende kaartje is een duidelijke scheidslijn te zien tussen Oost en West Nederland m.b.t. het gebruik van de band lek-constructie. Om hier meer over te lezen, verwijs ik u graag door naar boven.

_for004197501ill01.gif
Afbeelding 6. Globale dialectkaart van band lek-constructie.

Een tweede overeenkomst met het Nedersaksisch is het verschijnsel van de hulpwerkwoord verdubbeling. Dit staat ook hierboven beschreven.

Possessief datief constructie
Het gaat om een meewerkend voorwerp dat niet noodzakelijk bij het werkwoord in kwestie optreedt (een vrije datief), bv: wassen vereist niet een meewerkend voorwerp (i.t.t. geven).

In het Heerlens dialect komt een bepaalde datief constructie voor die in het Standaard Nederlands ongrammaticaal is, namelijk de possessieve datief constructie. Hierin komt een meewerkend voorwerp (datief) voor dat niet noodzakelijk bij het desbetreffende werkwoord hoort, het is dus een vrije datief. In het werkwoord 'geven' is er bijvoorbeeld wel een meewerkend voorwerp vereist aangezien je altijd iets aan iemand geeft. Een voorbeeldzin van de possessieve datief constructie:

Ik was Jan / hem de handen.

In deze zin is ‘jan’ of ‘hem’ de datief, ‘de handen’ het object (lijdend voorwerp) en is ‘ik’ het subject (onderwerp). In de possessieve datief constructie is er een bezittelijke relatie aanwezig tussen de datief en het object (de handen zijn van Jan/hem). Hier is vereist dat het object een lichaamsdeel moet zijn en er altijd een bepaald lidwoord (de of het) voor moet staan wanneer het object verplicht enkelvoudig is (zoals: buik, neus, mond). Er mag ook een onbepaald lidwoord (een) voor staan als er van de lichaamsdelen per individu meer dan 1 is (zoals: hand, voet, knie).

Dit betekent dus dat de volgende zin ongrammaticaal is in het Heerlens dialect:

*Ik was hem een buik. (het direct object is verplicht enkelvoudig en moet daardoor een bepaald lidwoord hebben in deze constructie).

En de volgende zin grammaticaal:

Ik was hem een voet. (van het direct object zijn er meer per individu en mag daardoor een onbepaald lidwoord hebben)

Een ander kenmerk van deze constructie is dat de agens in subjectpositie niet in een possessieve relatie kan zitten met het object. Dus:

*Hij wast de handen.

Deze zin kan alleen grammaticaal worden gemaakt door het invoegen van een datief (zoals in de eerste zin) of door middel van het reflexief ‘zich’:

Hij wast zich de handen.

Doen + infinitief
Er wordt vaak gedacht dat uitingen met doen + infinitief in streektalen (als in: “Zij doet werken”) gebruikt wordt om syntactische en morfologische inflexie te vermijden. Door middel van het woord ‘doen’ hoeft het hoofdwerkwoord namelijk niet meer verbogen te worden. Er wordt vaak gezegd dat 'doen' semantisch en morfologisch 'leeg' is. Uit onderzoek blijkt echter dat deze constructie van doen+infinitief die voorkomt in onder andere het Heerlens dialect niet zomaar willekeurig in elke zin gebruikt kan worden. 'Doen' heeft een habitueel aspect. Het geeft in deze constructie aan:

“Een activiteit van een individu of een groep van individuen die niet incidenteel maar onbeperkt vaak en met vaste regelmaat optreedt.” (Cornips, 1994)

Een voorbeeld uit het HAN corpus:

“nee ik ben ik ben gewoon timmerman en ik doe timmeren en opbouwen.”

Aangezien de persoon in kwestie timmeren doet als beroep, is dit geen incidentele eenmalige activiteit.

2.3 Het Zeeuws

2.3.1 Fonologie
Er zijn een aantal belangrijke fonologische verschillen tussen het Nederlands en het Zeeuws.

Klinkers
Een groot verschil tussen het Nederlands en het Zeeuws is de klankleer. Klinkers worden in het Zeeuws heel anders uitgesproken dan in het Nederlands. Een Zeeuw zegt /uu/ en /ii/ waar een Nederlander /ui/ en /ij/ zegt. Een Zeeuw zegt dus uut als uit, buten als buiten, zwiegen als zwijgen en tied als tijd.

Als gevolg van klinkerronding, komt in vijf woorden de Nederlandse /ij/ in het Zeeuws terug als /uu/: bluven (blijven), pupe (pijp), twuvel (twijfel), vuuf (wijf) en wuuf (wijf).
Ontronding, het tegenovergestelde, komt voor bij woorden die in het Nederlands een /u/ bevatten: pit (put), rispe (rups) en rik (rug) (Zeeuwse Klapbank, 2009).

In een aantal Zeeuwse dialecten, niet bij allemaal, wordt de Nederlandse /aa/ uitgesproken als /ae/. Ook de /o/ en de /oo/ worden in een aantal woorden van een umlaut voorzien en ook wordt in bepaalde gevallen de /u/ uitgesproken als /eu/.
De Oud-Germaanse klanken /ai/ en /au/ zijn in het Nederlands helemaal verdwenen en vervangen door de monoftongen /ee/ en /oo/. In het Zeeuws bestaan deze oude klanken nog wel. Een Zeeuw spreekt bijvoorbeeld boom uit als boam.
De korte /e/ in het Nederlands verandert in het Zeeuws vaak naar een /a/-achtige klank. Werken wordt dus waarken (Zeeuws Dialect, 1929).

Medeklinkers
Het grootste verschil tussen het Nederlands en het Zeeuws wat betreft medeklinkers, is dat een Zeeuw de /h/ niet uitspreekt. Woorden als huis, horen en hemel worden uitgesproken als uus, oore en emel. De /h/-deletie komt voor in alle Zeeuwse dialecten.
Ook de /g/ wordt door een Zeeuw anders uitgesproken dan door een Nederlander. De Zeeuwse /g/ wordt op dezelfde plaats in de keel gevormd, alleen wordt de keel minder vernauwd. Het gevolg hiervan is dat de klank van de /g/ richting de /h/ gaat.
Het laatste verschil wat betreft medeklinkers is dat alle Zeeuwse dialecten de /r/ niet uitspreken wanneer deze voor de /s/ staat: een kers wordt een kes (Zeeuwse Taelsite, 2002).

2.3.2 Morfologie
De Zeeuwse morfologie wijkt niet heel erg af van de Nederlandse, maar er zijn wel een aantal belangrijke verschillen tussen beide.

Werkwoordvervoeging
Voornaamwoorden
Alle Zeeuwse dialecten kennen twee infinitieven: het gewone infinitief op /-e/ en het verzwaarde infinitief op /-en/. Het verzwaarde infinitief wordt alleen ingezet na het woordje te en bij het zelfstandig gebruik van een werkwoord. Dit verschijnsel komt overeen met het Fries. Een ander groot verschil is dat de jie-vorm (jij-vorm) niet altijd, zoals in het Nederlands wel het geval is, op een /-t/ eindigt. In plaats van een /t/ gebruikt een Zeeuw de uitgang /-e(n)/ of helemaal geen uitgang. Je maakt wordt in het Zeeuws jie maeke(n) of jie maek.

Het Zeeuws gebruikt dezelfde naamvallen dan het Nederlands, maar er worden wel andere namen aan gegeven zoals het persoonlijk voornaamwoord 1e naamval. Er is geen literatuur gevonden over hoe de 3e en 4e naamval en het bezittelijk voornaamwoord worden gevormd
Persoonlijke voornaamwoord 1e naamval
ik
jie
ie/ze/ie
ons
julder
ulder

Tegenwoordige tijd
Het vervoegen van zwakke (regelmatige) werkwoorden in de tegenwoordige tijd gaat zo goed als op dezelfde manier dan hoe een Nederlander vervoegt. Het enige verschil zit hem in de jij-vorm (Zeeuwse Taelsite, 2002).
1e persoon ev (ik)
Stam
2e persoon ev (jij)
Stam (+e(n))
3e persoon ev (hij, zij, het)
Stam + t
1e persoon mv (wij)
Stam + en
2e persoon mv (jullie)
Stam + en
3e persoon mv (zij)
Stam + en

Voltooid deelwoord
Een Zeeuw vormt het voltooid deelwoord op dezelfde manier dan een Nederlander: het voorvoegsel /ge-/ wordt gebruikt : ik bin geweest (ik ben geweest), ik é g’aod (ik heb gehad).

Vervoeging van het voegwoord
Voegwoordvervoeging komt in alle Zeeuwse dialecten redelijk veel voor: als het woord dat er op volgt in het meervoud staat, krijgt het voegwoord of het betrekkelijk voornaamwoord een meervoudsvorm. Het Zeeuws bouwt zijn voegwoorden en betrekkelijke voornaamwoorden door er dat, als of of aan toe te voegen. Dit wordt uitgesproken als a(t). Een voorbeeld is dat het woord wanneer in het Zeeuws wordt gezegd als oeneer-a: Vraeg me nie oeneer-at 'n vromme komt (vraag me niet wanneer hij terugkomt).

Meervoudsvorming
Een Zeeuw vormt het meervoud op dezelfde manier als een Nederlander: er komt een /-n/ achter de enkelvoudige vorm van een zelfstandig naamwoord en een /-en/ achter de meervoudige vorm van een zelfstandig naamwoord (Zeeuwse Taelsite, 2002).
.

2.3.3 Syntaxix
De woordvolgorde in het Zeeuws is precies hetzelfde als die in het Nederlands. Ook het Zeeuw kent de zogenoemde subject-verb-object constructie. Eerst komt het onderwerp en dan het werkwoord. Een voorbeeld: D'n dominee, die-a gister in de kerke stoeng was 'n hoeie spreker.Vertaling: De dominee die gisteren in de kerk stond was een goede spreker
(Zeeuwse Taelsite, 2002).
.

2.4 Het Brabants

2.4.1 Fonologie
Wat fonologie betreft bestaat er niet heel veel verschillen tussen het Brabants en het Nederlands. De klankleer van het Brabants komt redelijk overeen met die van het Nederlands. Wel zijn er een aantal zaken belangrijk om te weten.

Klinkers
De klank van diftongen is in het Brabants moeilijk te verstaan voor iemand die Nederlands spreekt. De /ui/-klank wordt in het Brabants een /uu/-klank en de /ij/-klank wordt een /ie/-klank: huus, ies. Een ander verschijnsel dat voorkomt bij een Brabander en niet bij een Nederlander, is dat zij de klank van de klinker verlengen als deze voor een medeklinkercluster staat waarvan de eerste medeklinker nasaal is. Zo zegt een Brabander daansen in plaats van dansen.

Medeklinkers
In het West-Brabantse dialect vindt h-deletie plaats. De /h/ wordt niet uitgesproken. Bij de afscheidsgroet houdoe spreekt men daar de /h/ niet uit, terwijl de /h/ in het Oost-Brabantse dialect duidelijk hoorbaar is. Bij een woord dat in het Nederlands eindigt op een /t/, vindt in het Brabants vaak deletie van de /t/ plaats. Een /t/ aan het einde wordt door een Brabander vaak niet uitgesproken: da denk ‘k toch nie (Weijnen, 1991).

2.4.2 Morfologie
Persoonlijke voornaamwoorden
Persoonlijke voornaamwoord 1e naamval
ik
Ge / gij / gai
Hij / ij
Wij / wai / wijle / welle
Gijle / gelle / gullie
Zijle / zelle / zullie
Een belangrijk kenmerk is dat een Brabander gij zegt en een Nederlander jij (Swanenberg, 2006).

Woordgeslachten
Het Brabants kent een duidelijk scheiding in de drie woordgeslachten mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. Dit blijkt uit de verbuiging van lidwoorden, aanwijzende en bezittelijke voornaamwoorden en bijvoeglijke naamwoorden.

Mannelijk
Vrouwelijk
Onzijdig
Mannelijk – Klinker of H, ook met T of D
Mannelijk – letter B
Onbepaald
Ne(n) zoon
Een meid
E(en) kind
Nen hond
Nen/nem berg
Bepaald
De(n) zoon
De meid
(he)t kind
Den hond
Den/dem berg
Aanwijzend
Diene(n)/deze(n) zoon
Die/dees meid
Dit/da(t) kind
Die(ne)n/dezen hond
Die(ne)m/dezem berg
Bezittelijk
Onze zoon
Ons meid
Ons kind
Onzen hond
Onzen berg
Mannelijke eigennamen en weekdagen krijgen ook een lidwoord als ze niet duidelijk worden beschreven. Den Tom, maar Tom de ValckDen maandag, maar volgende week maandag (Heestermans & Stroop (2002).

Meervoudsvorming
Het meervoud vormt een Brabander op dezelfde manier dan een Nederlander, namelijk door /en/ of /s/ achter het woord te plakken.

Verkleinwoorden
In het Nederlands wordt een verkleinwoord gevormd door /-tje/ of /-je/ achter het woord te plakken. In het Brabants wordt /-ke/ toegevoegd: menneke (mannetje) en jeske (jasje).

Vergrotende trap
Een opvallend verschil tussen beide talen, is dat een Brabander de vergrotende trap op een heel andere manier gebruikt dan een Nederlander. Bij het Nederlands wordt de vergrotende trap gevormd door gebruik te maken van het woordje dan. Een Brabander maakt gebruikt van het woordje als: meer als, rijker als, enz. Ook wordt het Nederlandse woord eens door een Brabander vervangen door is en het woord naast door langs: gij zit langs mij (Giesbers, 2008).

2.4.3 Syntaxis
De woordvolgorde van het Brabants wijkt niet af van het Nederlands. Een Brabantse zin bestaat, net als een Nederlandse zin, uit de subject-verb-object constructie: wai sien om half vief aangereden (wij zijn om half vijf weggereden) (Goossens, 1999).

3. Taalverwerving in dialect

Eerder is al genoemd dat het spreken van een dialect naast de standaardtaal ook een vorm van tweetaligheid is. Echter, dit betekent niet dat de taalontwikkeling van kinderen die meerdere variëteiten van dezelfde taal spreken hetzelfde verloopt als de taalontwikkeling van kinderen die twee verschillende talen spreken. Er zijn een aantal aanwijzingen dat tweedialecttaligen ongeveer dezelfde taalverwerving hebben als eentalige Nederlandse kinderen, en zelfs af en toe voorlopen.

Allereerst is er onderzoek gedaan door Leonie Cornips (2014) naar dit onderwerp en de resultaten laten zien dat tweetaligen (een andere taal naast het Standaard Nederlands) een andere taalontwikkeling laten zien dan tweedialecttaligen (een ander dialect naast het Standaard Nederlands). Het blijkt dat de tweedialecttaligen redelijk hetzelfde scoren op verschillende taaltesten als eentalige sprekers van het Nederlands. De participanten in het onderzoek kwamen uit drie groepen (tweedialecttaligen (Limburgs en Standaard Nederlands), tweetalige (andere taal en Standaard Nederlands) en eentalige sprekers van het Nederlands. Allereerst werden ze onderzocht op hun woordenschat. Over het algemeen kan de woordenschatverwerving als indicator worden genomen van de algemene taalontwikkeling van kinderen. De scores op de woordenschattest werden gegroepeerd in drie groepen naargelang de hoogte van de score. De resultaten lieten zien dat 69% van de tweetaligen in groep 1 (de laagst scorende groep) zat tegenover 15% van de tweedialecttaligen. In de hoogste groep zaten 45% van de tweedialecttaligen en maar 6% van de tweetaligen. Dit is een zeer groot verschil. Opvallend is dat de monolingualen ongeveer hetzelfde scoorden als de tweedialecttaligen. De tweedialecttaligen doen het zelfs iets beter dan de eentaligen.

Het tweede bewijs heeft te maken met geslacht. In het Nederlands hoort bij onzijdige zelfstandig naamwoorden het lidwoord ‘de’, en bij zijdige zelfstandig naamwoorden het lidwoord ‘het’. Hier zijn weinig morfologische en semantische regelmatigheden in te vinden in het Standaard Nederlands. Over het algemeen hebben kinderen bij de taalverwerving dan ook veel moeite mee, en tot minstens 6 jaar overgeneraliseren zowel eentalige als tweetaligen kinderen het onzijdige lidwoord ‘de’ bij zijdige zelfstandignaamwoorden (die het lidwoord ‘het’ vragen). Cornips en Hulk (2006) hebben onderzocht hoe deze verwerving zit bij tweedialecttaligen (Limburgs en Nederlands). Opvallend is dat de resultaten laten zien dat de tweedialecttaligen voorop lopen op de taalontwikkeling van eentaligen. Eentalige kinderen tussen 3 en 5 jaar laten geen toename zien in het gebruik van ‘het’, terwijl tweedialecttalige kinderen in deze fase al wel dit lidwoord gebruiken. Zoals hierboven al genoemd maken Limburgse dialectsprekers een onderscheid tussen onzijdige, vrouwelijke en mannelijke zelfstandig naamwoorden, terwijl in het Standaard Nederlands dit onderscheid wordt beperkt tot zijdig of onzijdig. Doordat Limburgse dialectsprekers gevoeliger zijn voor het oppikken van morfologische cues die aangeven of het om een onzijdig, mannelijk of vrouwelijk zelfstandig naamwoord gaat, zullen ze in het Standaard Nederlands voordeel hebben bij de verwerving van grammaticaal geslacht.

Dit onderzoek laat zien dat je kunt verwachten dat tweedialecttaligen een zelfde verloop van de taalontwikkeling zullen laten zien als eentalige Nederlandse kinderen. Het is belangrijk te onthouden dat dit onderzoek alleen is uitgevoerd bij Limburgse sprekers en niet bij sprekers van andere dialecten. In het Nedersaksisch wordt een bovengenoemd onderscheid in geslacht niet gemaakt waardoor kinderen die Nedersaksisch spreken dan ook geen voordeel zullen ondervinden van het spreken van dialect. Er is, vanwege het grote verwantschap tussen het Nederlands en de dialecten, geen reden om aan te nemen dat kinderen die dialect spreken een andere verwervingsvolgorde zullen hebben dan eentalige Nederlandse kinderen.

4. Onderzoek naar taalstoornissen

Er is helaas geen literatuur gevonden over TOS in dialecten. Er zijn een aantal belangrijke zaken waar op gelet moet worden bij het onderzoeken van een kind met een eventuele TOS. Allereerst is het van belang dat wanneer een kind een afwijkende taalvaardigheid heeft op een bepaald gebied er eerst moet worden onderzocht of deze fouten vanuit het dialect verklaard kunnen worden. Wanneer deze fouten niet vanuit het dialect kunnen worden verklaard kan er reden zijn om aan een TOS te denken. Hieronder staan een aantal fouten die bij kinderen met een TOS goed of juist minder goed verwachten te gaan:

Fouten in woordvolgorde:
Alhoewel het Nedersaksisch wel een voorkeur heeft voor een bepaalde woordvolgorde, zijn er in de andere dialecten wel veel woordvolgordes toegestaan. In het Nedersaksisch zijn er meer toegestaan dan in het Standaard Nederlands. Wanneer een kind een fout maakt in de woordvolgorde van de woorden in de zin, kan dit komen doordat in het eigen dialect meer woordvolgordes zijn toegestaan en hoeft de oorzaak niet direct in een TOS te liggen.

Fouten in lidwoorden:
Een voordeel dat kinderen die Limburgs spreken, hebben op de kinderen die geen dialect spreken is het uitdrukken van het geslacht. Er worden hier vaak veel fouten in gemaakt door kinderen met een taalstoornis. In het Standaard Nederlands is er geen consequente grammaticale regel voor te verzinnen, en moet je per woord eigenlijk opslaan welk lidwoord erbij hoort en in welke vorm het adjectief moet staan (bijvoorbeeld: groot boek vs. grote tafel). Aangezien in het Limburgs aan de hand van de keuze van het lidwoord en bezittelijk voornaamwoord duidelijk wordt geleerd welke woorden mannelijk zijn, welke vrouwelijk en welke onzijdig, kan dit een hulpmiddel zijn om in het Standaard Nederlands ook de juiste vorm /het juiste lidwoord te kiezen. Uit onderzoek blijkt dan ook dat normaal ontwikkelende Limburgse kinderen hier baat bij hebben en voorlopen op kinderen die Standaard Nederlands spreken in de verwerving van lidwoorden (en dan met name het lidwoord ‘het’). Verwacht wordt dat niet alleen normaal ontwikkelende kinderen hier voordeel van ondervinden, maar ook kinderen met een TOS. Hierdoor zullen ze misschien iets beter scoren op dit onderdeel dan kinderen met een TOS die enkel Standaard Nederlands spreken. Neem dus ook altijd andere vaardigheden mee in het vaststellen van een taalstoornis aangezien een Limburgs sprekend kind hier redelijk op kan scoren ondanks een taalstoornis.

Fouten in de klanken/fonologie:
Alle vier de besproken dialecten gebruiken over het algemeen (op een paar uitzonderingen na) hetzelfde schrift. Echter wordt er in verschillende dialecten vaak een andere klank gekoppeld aan het teken. Aangezien de klank-teken koppeling vaak een struikelblok is voor kinderen met een taalstoornis, kan het voor verwarring zorgen wanneer een teken meerdere verschillende klankkoppelingen heeft in de twee dialecten die het kind spreekt. Hier worden veel fouten in verwacht bij kinderen die mogelijk een TOS hebben. Dit effect zal minder sterk zijn wanneer het kind niet leert lezen en schrijven in het dialect, wat bij de meeste kinderen het geval zal zijn.

5. Slotopmerkingen

Op deze pagina zijn vier dialecten uitgelicht: het Nedersaksisch, het Limburgs, Het Zeeuws en het Brabants. Er wordt wel eens gedacht dat het spreken van dialect de taalontwikkeling van de standaard taal kan belemmeren. Nu is er onderzoek gedaan door Driessen en collega’s (2010) naar de invloed van het spreken van een dialect op de taalvaardigheid in de Standaard taal. Uit de resultaten kwam naar voren dat het spreken van een Nederlands dialect geen negatief effect heeft op de taalontwikkeling van het Standaard Nederlands. Het blijkt zelfs zo dat het spreken van het Limburgs als moedertaal een positief verband heeft met de taalvaardigheid van het Standaard Nederlands, waarbij het zo is dat hoe meer er Limburgs dialect gesproken wordt, hoe beter de Nederlandse taalvaardigheid blijkt te zijn. De misvatting dat het spreken van een dialect een risicofactor is voor kinderen die gevoelig zijn voor het ontwikkelen van een taalstoornis kan hiermee van de tafel worden geveegd.

Dit wil overigens niet zeggen dat er in elk dialect bepaalde elementen zitten die het leren van het Standaard Nederlands moeilijker of juist makkelijker maken. Daarom is het altijd van belang om in taalonderzoek ook het dialect mee te nemen. In het bepalen van de taalvaardigheid van kinderen is het belangrijk dat bepaalde fouten die het kind in de Standaard taal maakt niet direct worden toegeschreven aan een taalstoornis als deze verklaard kunnen worden vanuit het dialect. Een voorbeeld van een instrument waarbij dialect geen invloed heeft op het bepalen van de taalvaardigheid is de VTO (VroegTijdige Onderkenning) Taal 2-jarigen. In dit instrument is het mogelijk dat de ouders de vragen stellen aan het kind in dialect. Voor de informatie op deze pagina zijn onderstaande bronnen gebruikt:

Barbiers, S., & Bennis, H. (2010). De plaats van het werkwoord in zuid en noord. In: Voor Magda. Artikelen voor Magda Devos bij haar afscheid van de Universiteit Gent, (pp. 25-42).
Bloemhoff, H., van der Kooi, J., Niebaum, H., & Reker, S. (2008). Handboek Nedersaksische taal en letterkunde. Assen: Koninklijke van Gorcum BV.
Broekhuis, H., & Cornips, L. (2013). Jan heeft de fiets gestolen, maar is toch geen dief! In N. Van der Sijs (Ed.), De Kaartenbank: Over taal en cultuur. Amsterdam: AUP.
Cornips, L. (1994). De hardnekkige vooroordelen over de regionale doen+infinitief-constructie. Forum der Letteren, 35, 282-294.
Cornips, L. (1998). Syntactic variation, parameters, and social distribution. Language Variation and Change, 10, 1-21.
Cornips, L. (2014). Socio-syntax and variation in acquisition: Problematizing monolingual and bidialectal acquisition. Linguistic Variation, 14, 1-25.
Cornips, L. & Hulk, A. (2006). External and internal factors in bilingual and bidialectal language development: Grammatical gender of the Dutch definite determiner. In Lefebvre Claire, White Lydia & Jourdan Christine (eds.), L2 acquisition and creole genesis. Dialogues, 355-378. Amsterdam: John Benjamins.
Cornips, L., & Hulk, A. (2008). Factors of success and failure in the acquisition of grammatical gender in Dutch. Second Language Research, 24, 267-295.
De Schutter, G. (2001). Nasaal of sjwa of allebei? Taal & Tongval, 14, 113-141.
De Schutter, G. (2010). Werkwoordvormen in de zuidelijke Nederlandse dialecten: Stamkeuze, werkwoorduitgangen en fonologische aanpassingen van de stam. Taal & Tongval, 62, 119-162.
Dols, W. (1996). Iets over Limburgsche Dialecten. In: H. Van de Wijngaard. Een eeuw Limburgse dialectologie.
Driessen, G. (2008). In Dutch? Usage of Dutch regional languages and dialects. Language, culture and curriculum, 18, 271-285.
Driessen, G., Van der Slik, F., & De Bot, K. (2010). Home language and language proficiency: a large-scale longitudinal study in dutch primary schools. Journals of Multilingual and Multicultural Development, 23, 175-194.
Giesbers, C. (2008). Dialecten op de grens van twee talen: een dialectologisch en sociolinguïstisch onderzoek in het Kleverlands dialectgebied. Proefschrift Radboud Universiteit Nijmegen.
Goossens, J. (1999). Vocalisme bij een aantal sterke werkwoorden in Brabantse dialecten.
Heestermans, H. & Stroop, J. (2002), Taal in stad en land: West-Brabants, p. 25-27
Hoppenbrouwers, C. & Hoppenbrouwers, G. (2001). De indeling van de Nederlandse streektalen: Dialecten van 156 steden en dorpen geklasseerd volgens de FFM. Assen: Koninklijke van Gorcum BV.
Keij, B., Cornips, L., Van Hout, R., Hulk, A., & Van Emmerik, J. (2012). Knowing versus producing: The acquisition of grammatical gender and the definite determiner in Dutch by L1-TD, L1-SLI, and eL2 children. Linguistic Approaches to Bilingualism, 2, 379-403.
Kruijsen, & Van der Sijs, N. (1999). Honderd jaar stadstaal. Amsterdam/Antwerpen: Contact.
Nortier, J. (2009). Nederland meertalenland: feiten, perspectieven en meningen over meertaligheid. Amsterdam: Aksant.
Orgassa, A., & Weerman, F. (2008). Dutch gender in specific language impairment and second language acquisition. Second Language Research, 24, 333-364.
Swanenberg, J. (2006). Trots op je taal. Stichting Het Brabants.
Vallen, T., & Stijnen, S. (2009). Language and educational success of indigenous and non-indigenous minority students in the Netherlands. Language and education, 1, 109-124.
Van den Berg, R., & Van Oostendorp, M. (2012). Dat is andere taal! Streektalen en dialecten van Nederland. Houten – Antwerpen: Uitgeverij Unieboek/Het Spectrum bv.
Van der Sijs, N. (2011). Dialectatlas van het Nederlands. Amsterdam: Bert Bakker.
Van Dort-Slijper, M. (1998). Inleiding in de fonologie van het Nederlands en de raakvlakken van fonologie en spelling. Universiteit van Amsterdam.
Weijnen, A. (1991). Vergelijkende klankleer van de Nederlandse Dialecten. Den Haag.

Websites:

http://www.limburgsespelling.nl
http://www.limburgsedialecten.nl
http://www.limburgsedialecten.nl/download/dolsietsoverlimba4.pdf
http://www.streektaal.net
http://www.dbnl.org/tekst/_for004197501_01/_for004197501_01_0001.php
http://depot.knaw.nl/8479/1/T%26T_V-clusters_Barbiers_Bennis.pdf
http://people.zeelandnet.nl/evenhuis/
http://www.wikipedia.com
http://www.zeeuwsdialect.nl/
http://www.zeeuwseklapbank.nl/