Auteur van deze pagina: Jozine van den Bulck

0. Praktische informatie voor taalonderzoek


Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer
Het Deens wijkt in verschillende opzichten af van het Nederlands. Hierdoor kunnen, als gevolg van transfer, problemen ontstaan in de fonologie, morfologie en/of syntaxis in de Nederlandse taal bij kinderen met het Deens als moedertaal. Deze problemen hoeven niet op een taalontwikkelingsstoornis te duiden.

Fonologie
Uitspraak
Het Deens heeft een aantal opvallende karakteristieken, die voor transferproblemen kunnen zorgen. Dit zijn het weglaten van onbeklemtoonde lettergrepen, het gebruik van de stød, het vocaliseren van medeklinkers en het hoge spreektempo (ook als gevolg van voorgaande kenmerken; zie paragraaf 2 voor een uitleg van deze verschijnselen).
Wanneer voorgaande verschijnselen voorkomen in het Nederlands bij moedertaalsprekers van het Deens, kan dit worden gezien als een gevolg van transfer.

Morfologie
Aandachtspunten met betrekking tot de morfologie zijn het lidwoordgebruik en het gebruik van werkwoorden. Karakteristiek voor het Deens is een aanhechting van het bepaalde lidwoord als een suffix aan het zelfstandig naamwoord.
Het inflectionele systeem van het Deens is relatief eenvoudig. Werkwoorden blijven onveranderd, ongeacht persoon of getal. Het kan een gevolg van transfer zijn wanneer Deense kinderen in het Nederlands de stam van een werkwoord gebruiken of de infinitief-vorm in plaats van een vervoegde vorm. Tijdsaanduidingen worden wel gemarkeerd op het werkwoord.

Syntaxis
Met betrekking tot de syntaxis worden weinig problemen verwacht. Het Deens heeft dezelfde woordvolgorde als het Nederlands en net zoals in het Nederlands kan er inversie optreden.

Vragen m.b.t. mogelijke transfer:

Fonologie
- Laat het kind onbeklemtoonde syllaben weg?
- Vocaliseert het kind medeklinkers in de spontane spraak?
Morfologie
- Laat het kind het werkwoord onvervoegd voor persoon en getal?
- Gebruikt het kind het bepaalde lidwoord als suffix bij het zelfstandig naamwoord?

Als vaak positief wordt geantwoord op bovenstaande vragen, is er mogelijk sprake van tranfer vanuit het Deens. Dit hoeft dus niet te wijzen op een TOS.

Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementen
Bij het onderscheiden van de mogelijke oorzaak van fouten in het Nederlands, is onderstaande vragenlijst per taalgebied (fonologie, morfologie, syntaxis en pragmatiek) opgesteld. Voorzichtigheid bij de analyse aan de hand van deze vragenlijst is geboden; de vragen vormen slechts een leidraad om NT2-fouten globaal van TOS-fouten te onderscheiden. De verkregen informatie dient als eerste indicatie voor de aanwezigheid van een taalontwikkelingsstoornis. De vragen kunnen gesteld worden aan ouders/tolken om te achterhalen of het kind bepaalde TOS-kenmerken vertoont.

Deze vragenlijst kan een beeld schetsen van eventuele TOS-kenmerken die het kind in de moedertaal laat zien:

Fonologie
- Heeft het kind moeite met het produceren van bepaalde klanken in het Deens, terwijl leeftijdsgenootjes deze klanken zonder moeite kunnen produceren?
Morfologie
- Heeft het kind meer moeite met de vervoeging van werkwoorden in de verleden tijd in het Deens, in vergelijk met leeftijdsgenootjes?
Syntaxis
- Wanneer ging het kind twee woordjes combineren in zinnen? De universele mijlpalen in de taalontwikkeling kunnen worden aangehouden als leidraad. Zie hiervoor dit schema.
- Laat het kind verplichte woorden in een zin weg?
Pragmatiek
- Maakt het kind weinig oogcontact, is het verminderd wederkerig en heeft het zwakke communicatieve vaardigheden in de moedertaal?

Wanneer er vaak ‘ja’ wordt geantwoord op bovenstaande vragen, is er mogelijk sprake van een TOS.

Hierbij kunnen een universele mijlpalen in taalverwerving worden aangehouden als leidraad, zie het schema.

Om een TOS in de T1 vast te stellen is het nuttig om van iedere werkwoordsoort een aantal verledentijdsvormen te ontlokken bij het kind. Omdat dit vaak fout gaat bij Deense kinderen met een TOS is het raadzaam om te onderzoeken of een dergelijke test gemiddelde of benedengemiddelde resultaten oplevert. Meer informatie over werkwoordsoorten is te vinden in paragraaf 2. Een lijst met werkwoorden kan gemaakt worden door een selectie te maken uit een woordenlijst uit een artikel van Slott et al. (2008):

arbejde [work], klatre [climb], bare [carry], made [feed], danse [dance], lege [play], plaske [splash], drikke [drink], lytte [listen], ride [ride], lase [read], halde [pour], lobe [run], snakke [talk], spille [play], svomme [swim], synge [sing], trakke [pull], gynge [swing], rutche [slide], tanke [think], grade [cry], dele [share], satte [sit], blive [stay], fange [catch], tage [take], falde [fall], gemme [hide], abne [open], finde [find], give [give], slutte [finish], hente [get], standse [stop], spilde [spill], kobe [buy], tabe [drop], lukke [close], vise [show], vagne [wake], smide [dump], valte [topple], holde [hold], vente [wait], onske [wish], se [look], elske [love], sta [stand], sidde [sit], have [have], lide [like].

In samenwerking met de ouders of een tolk kan een schema worden gemaakt van de indeling in de drie groepen. Het ontlokken kan heel gemakkelijk, door de ouders telkens een paar zinnen te laten zeggen waarna het kind de laatste zin moet aanvullen. Bijvoorbeeld: “Lars kan heel goed werken. Lars werkt in de winkel. Gisteren deed hij dat ook al. Wat deed hij gisteren dan? Hij ....”. Als indicatie kunnen de uitkomsten worden vergeleken met de correctscores die worden genoemd in de onderzoeken onder paragraaf 4.


1. Algemene informatie over het Deens


Het Deens (Dansk) is de officiële taal die wordt gesproken in Denemarken. Het is ook de officiële taal van de Faeröer eilanden, die tussen de Britse eilanden en IJsland liggen, en van Groenland, al wordt het door de inwoners van beide gebieden weinig gesproken. In Scandinavisch perspectief is het Deens sterk verwant aan andere Scandinavische talen zoals het Zweeds, Noors en IJslands. Lexicaal en syntactisch gesproken komen deze talen erg overeen. Ze hebben een hoge mate van wederzijdse begrijpelijkheid, maar niet voldoende om elkaars taal te kunnen spreken. Van alle Scandinavische talen is Deens voor inwoners van de andere Scandinavische landen het moeilijkst te begrijpen. Dit heeft onder andere te maken met de fonetische complexiteit van het Deens.
De hoofdstad van Denemarken (Kopenhagen) is dankzij het aantal inwoners, in vergelijking tot de bevolkingsdichtheid van de rest van het land, sociolinguïstisch gezien het centrum van Denemarken. Omdat meer dan 25% van de inwoners van Denemarken in de hoofdstad of in het gebied rond de hoofdstad woont, wordt de taal die daar wordt gesproken het standaard Deens genoemd. De overige inwoners van Denemarken spreken een dialect of een ander regionaal standaard Deens. Dit laatste wordt in de Deense traditie regionalsprog genoemd. Het regionalsprog deelt het systeem met het standaard Deens op een aantal verschillen na. De Deense taal is verder onderverdeeld in drie hoofddialectgebieden: Oost Deens, IJslands Deens en Jutlandisch. Deze namen zijn vertalingen van respectievelijk Østdansk, Ømål en Jysk. Deze drie hoofddialecten vertegenwoordigen rond de drieëntwintig verschillende dialecten. Met betrekking tot fonologie heeft ieder dialect zijn eigen systeem.

Het Deens kent hetzelfde Latijnse alfabet als het Nederlands. Toch bestaat het Deense alfabet uit 29 letters in plaats van onze 26 letters. Het Deense alfabet kent nog drie klinkers die ons systeem niet kent, namelijk Æ æ, Ø ø en Å å.
De letter Æ wordt uitgesproken zoals de /e/ in het Nederlandse woord [stεm]. Deze klinker wordt naast het Deens ook in het IJslands, Noors en Faröers gebruikt.
De letter Ø wordt uitgesproken als de /eu/ in het Nederlandse woord ‘leuk’. Deze letter wordt niet alleen gebruikt in het Deense alfabet maar ook in het Noorse en Faröerse alfabet. De letter /ø/ komt overeen met de letter /ö/ in het IJslands en Zweeds.
Eind de 19e eeuw werd door een Noorse drukker de letter /aa/ vervangen door een /å/, welke klinkt als een korte /o/ zoals in het Nederlandse woord ‘stom’. Vanaf 1948 werd deze letter ook in het Deense alfabet overgenomen. In het Deens zul je de dubbele /aa/ nog weinig tegenkomen, behalve in plaatsnamen en eigennamen. Ook is het zo dat deze dubbele /aa/ mag worden vervangen door de letter /å/. Dit wordt bij plaatsnamen regelmatig gedaan waardoor het kan voorkomen dat een naam twee schrijfwijzen kent. Zo wordt bijvoorbeeld de stad Aabenraa ook wel als Åbenrå of Åbenraa geschreven.
In het Deense alfabet komen ook letters voor die weinig gebruikt worden. Zo worden de letters /c, q, w, x en z/ bijna niet gebruikt. Deze letters worden enkel gebruikt bij leenwoorden en worden dus niet gezien als onderdeel van de moedertaal.

2. Specifieke informatie over het Deens


Fonetiek

De fonetiek van het Deens is zeer kenmerkend voor de taal. Het Deens kent een aantal karakteristieken die specifiek verbonden zijn aan deze taal. Een voorbeeld hiervan is het rijke klinkersysteem van het Deens met meer fonetische onderscheidingen in klinkerkwaliteit. Het Deens kent 16 klinkers of klinkerclusters en 20 medeklinkers of medeklinkerclusters.
klinkers Deens.png


Afb. 1. Klinkers (Basbøll, H. & Bleses, D., 2011)
Weglating van lettergrepen
Een fonologische karakteristiek van het Deens is het grote aantal weglatingen en verminderingsprocessen tijdens het spreken. Veel onbeklemtoonde lettergrepen worden weggelaten en dit veroorzaakt een sterke vermindering van zwakke lettergrepen. Deze reductie maakt het voor niet-moedertaal sprekers moeilijk om de taal te kunnen verstaan en begrijpen.
Vocalisatie van medeklinkersOok het vocaliseren van medeklinkers (een medeklinker uitspreken als een klinker) is een karakteristiek verschijnsel dat in spontane spraak van het Deens veel voorkomt. Vanwege de hoge mate van reductie en vocalisatie van medeklinkers tijdens het spreken ligt het spreektempo vrij hoog. Onderzoek heeft aangetoond dat het Deens tussen 25% en 39% sneller wordt gesproken dan het Zweeds. Bovendien ontstaat er tijdens de spraak een klankstructuur die moeilijk te ontvangen is vanwege de niet-medeklinker klanken, waardoor de scheiding tussen woorden of zelfs lettergrepen vaak onduidelijk is.
Schwa-insertie
Een ander typologisch fonetisch verschijnsel in het Deens is de schwa-insertie. Dit is het toevoegen van een [ǝ] tussen twee medeklinkers. Een voorbeeld hiervan in het Nederlands is dat er in het woord 'melk' tussen de /l/ en de /k/ vaak een schwa ([ǝ]) wordt geplaatst, waardoor het klinkt als [mεlǝk]. Schwa-insertie is erg afhankelijk van spreekstijl en spreektempo. Ook komt dit verschijnsel het ene moment meer voor in een bepaalde fonologische context dan in een andere. Insertie van onbeklemtoonde schwa [ǝ] is een proces dat halverwege de 19e eeuw het standaard Deens binnenkwam, en dat nog steeds evolueert. Hoe sneller het spreektempo en hoe meer 'casual' de spreekstijl, hoe groter de kans dat er schwa-insertie ontstaat.
StødHet Zweeds en Noors kennen een bepaalde ‘zangerige’ intonatie die het Deens niet kent. In plaats hiervan heeft het Deens de zogeheten glottisslag, wat in het Deens een stød wordt genoemd. De stød is een onderdeel van het Deens dat hoorbaar is in de vloeiende stroom van spraak. In het Nederlands wordt de stød ook wel ‘stoot’ genoemd of vanuit een letterlijke vertaling ‘schokken’. Bij dit verschijnsel worden de stembanden plotseling half dichtgeklapt, waardoor er een soort onregelmatigheid in de stem voorkomt. Het komt zelden voor in het Deens dat de stembanden volledig worden gesloten, zoals dat gebruikelijk is bij de glottisslag. Høysgaard (1743) was de eerste die de stød heeft onderzocht. Hij omschreef deze karakteristiek ook wel als een kleine hik tijdens het spreken. Een voorbeeld van een glottislag in het Nederlands hoor je in het woord 'mee-eten' (op de plek van het liggende streepje). Dit typisch fonologische verschijnsel wordt ook wel eens als ‘krakende stem’ omgeschreven. Een stød wordt uitgesproken bij een lange klinker of na een stemhebbende medeklinker. Een korte klinker met stød is net zo lang als een lange klinker zonder stød.

Morfologie
In veel westerse talen vormen morfemen de fundamentele bouwstenen voor de taal. Het Deens is een Noord-Germaanse taal met een relatief eenvoudig inflectioneel systeem waarbij werkwoorden niet gemarkeerd worden voor persoon of aantal. Bijvoeglijk naamwoorden worden verbogen voor geslacht en syntactische positie, net zoals in het Nederlands. Zo ook de zelfstandig naamwoorden: die worden verbogen voor bepaaldheid en getal. Het Deens heeft veel afleidingen en samenstellingen. Samenstellingen zijn zo actief in het Deens dat morfologische families groter zijn dan in andere Germaanse talen zoals het Nederlands.
Het Deens heeft, net zoals het Nederlands, twee woordgeslachten: geslachtelijk/zijdig (in het Nederlands het gebruik van de-woorden) en ongeslachtelijk/onzijdig (in het Nederlands het gebruik van het-woorden). Het bepaalde lidwoord gedraagt zich in het Deens als een suffix: het wordt als achtervoegsel aan het zelfstandig naamwoord geplakt.
Voorbeeld:
Nederlands
Deens
een jongen
en dreng
de jongen
drengen
jongens
drenge
de jongens
drengene

Voor de werkwoordsvormen geldt: voor alle personen wordt er één werkwoordsvorm gebruikt. Zie hieronder het voorbeeld.

Nederlands
Deens
ik heb
jeg har
jij hebt
du har
hij heeft
han har
wij hebben
vi har
jullie hebben
i har
zij hebben
de har

Ook zijn de tijden die gebruikt worden voor werkwoorden vergelijkbaar met die van het Nederlands (tegenwoordige tijd, verleden tijd enz.).
Syntaxis
Het Deens hanteert dezelfde woordvolgorde als het Nederlands, namelijk de SVO-volgorde. Vooraan in de zin staat het onderwerp (Subject), gevolgd door de persoonsvorm (Verb) en daarna het lijdend voorwerp (Object). Hierbij moet wel aangetekend worden dat jonge kinderen in het Nederlands eerst een SOV-volgorde aanhouden ("mama koffie drinken") en pas later leren dat de werkwoordsvorm na het onderwerp moet komen (dit wordt V2 of 'verb second' genoemd in de taalwetenschap). In het Deens is het onderwerp prosodisch prominent. Net zoals in het Nederlands kan er inversie optreden, zoals bij vraagzinnen.
Samengestelde zinnenHet Deens kent, zoals het Nederlands, samengestelde zinnen. Deze zinnen kunnen bestaan uit twee hoofdzinnen (nevenschikking) of een hoofdzin en een ondergeschikte zin (onderschikking). Een nevenschikking is vaak te herkennen aan bepaalde voegwoorden, zoals of (eller), want (fordi), en (og), maar (men). In ondergeschikte zinnen in het Nederlands is de volgorde OV. Bijvoorbeeld: “Hoewel de directeur hen (O) niet betaalde (V), bleven de arbeiders werken.” In het Deens is de volgorde van de bijzin echter OV, zoals in de zin: Skoent direktoeren ikke betalte (V) dem (O), fortsatte arbejderne med at arbejde.

Pragmatiek
Op het gebied van de pragmatiek verschilt het Deens niet veel van het Nederlands. Toch is het belangrijk om te weten dat er voor het schrijven van de lijdende vorm twee manieren zijn. De één heeft een wat formelere en nettere vorm dan de anderen. De vorm met de –s op het eind (als in kyllingen slagtes) wordt gezien als de formele vorm. Dit heeft echter niet veel gevolgen voor de mondelinge taalontwikkeling.
Voorbeeld: De kip wordt geslacht - kyllingen bliver slagtet vs. kyllingen slagtes


3. Verwervingsvolgorde van bovengenoemde domeinen


Met betrekking tot de eerste taalverwerving van het Deens is voornamelijk in de literatuur te lezen dat Deense kinderen een moeilijke taak hebben om het Deens te verwerven en dat de moedertaalverwerving hierdoor wat traag op gang komt. Dit is onder andere te wijten aan de fonetische structuur van het Deens. Het onderzoek van Bleses e.a. (2011): Is Danish difficult to acquire? Evidence from Nordic past-tense studies tussen Deense, IJslandse, Zweedse en Noorse kinderen, heeft aangetoond dat de ontwikkeling van de receptieve vaardigheden later op gang komt bij Deense kinderen dan bij de kinderen uit de andere Scandinavische talen. Bovendien scoorden ook alle Deense kinderen het laagst bij het verwerven van alle vormen van de verleden tijd. Dit wil zeggen dat Deense kinderen de verleden tijd in een later stadium verwerven dan de vergelijkingsgroep. Analyses van fonologische en morfologische karakteristieken suggereren dat fonetische verschillen van signalen die relevant zijn voor de identificatie van achtervoegsels, verklarend zijn voor de verwervingsproblemen. Een interpretatie van deze resultaten kan zijn dat Deense kinderen meer dan andere Scandinavische kinderen worden geconfronteerd met een uitdagende taak aan het begin van de taalontwikkeling. Bovendien ondersteunden de resultaten van dit onderzoek de hypothese dat de ongewone fonetische structuur van het Deens een mogelijke invloed heeft op het begin van de receptieve vaardigheden. Een cruciale stap voor het verwerven van een taal is het kunnen onderscheiden van woorden in vloeiende spraak, het segmenteren. De trage vocabulaireverwerving is te wijten aan de onduidelijkheid van het Deense fonetische systeem waardoor de Deense kinderen meer moeite hebben met het segmenteren. De onduidelijkheid wordt veroorzaakt door de al eerder besproken weglating van onbeklemtoonde lettergrepen, medeklinker-vocalisatie en schwa-insertie. Door deze twee kenmerken wordt er een geluidsstructuur gecreëerd die moeilijk te percipiëren is, met lang uitgerekte klinkers waarbij de plaatsing van lettergrepen en zelfs het aantal lettergrepen vaak onduidelijk is. Hoe minder duidelijk de cues zijn voor het kind om aan te nemen waar de woord- of lettergreepscheidingen zich bevinden, hoe langer het duurt voordat het kind begrijpt wat de spreker bedoelt. De onduidelijke lettergreepgrenzen worden hoofdzakelijk veroorzaakt door de lage fonetische variatie: bijna alles wat volgt na het eerste deel van een woord, is een klinkerklank.


4. Onderzoek naar taalontwikkelingsstoornissen in het Deens


In het artikel Declarative and procedural memory in Danish speaking children with specific language impairment van Lum et al. (2012) worden specifieke taalontwikkelingsstoornissen in het Deens onderzocht.
In dit onderzoek werd de taalvaardigheid van 13 Deense kinderen met een taalontwikkelingsstoornis vergeleken met die van 20 normaal ontwikkelende Deense kinderen. De kinderen waren tussen de 7 en 9 jaar. Er werd gekeken naar meerdere onderdelen van taalvaardigheid, maar de testjes op het gebied van de vorming van werkwoorden in de verleden tijd lieten het duidelijkst verschillen zien tussen de twee groepen. In het Deens zijn er, net zoals in het Nederlands, werkwoorden die op een regelmatige manier vervoegd worden in de verleden tijd en werkwoorden die op een onregelmatige manier vervoegd worden. Van de regelmatige werkwoorden in de verleden tijd wordt de grootste groep gevormd door –ede achter het werkwoord te plaatsen. Een kleinere, ook regelmatige groep wordt gevormd door –te achter het werkwoord te plaatsen. Onregelmatige vervoegingen naar de verleden tijd geschieden door middel van klinkerverandering (vergelijk het Nederlandse drinken – dronk). De kinderen met een taalontwikkelingsstoornis behaalden correctscores van 30%, 38% en 52% op achtereenvolgens de onregelmatige werkwoorden, de regelmatige werkwoorden van de kleine groep (suffix –te) en de regelmatige werkwoorden van de grote groep (suffix –ede). Voor de kinderen zonder taalstoornis waren deze percentages respectievelijk 52%, 79% en 89%. De vermoedelijke reden waarom deze percentages niet dichter bij de 100% liggen is volgens de onderzoekers het feit dat deze suffixen lastig te percipiëren zijn (zie ‘morfologie’) en dus ook trager verworven worden dan in veel andere talen.


5. Slotopmerkingen en literatuurverwijzingen


Op deze pagina zijn de verschillen tussen het Deens en het Nederlands besproken. Ook zijn er mogelijke transferfouten door Deense kinderen die Nederlands leren genoemd, en zijn er kenmerken van TOS in het Deens besproken. Deze informatie kan behulpzaam zijn in het achterhalen van een taalontwikkelingsstoornis bij Deens-Nederlandse kinderen.


Voor wie meer wil lezen over het Deens of over de onderzoeken die op deze pagina genoemd zijn:
  • Balling, L.W. & R.H. Baayen (2008). Morphological effects in auditory word recognition: Evidence from Danish. Language and cognitive processes (23), Issue 7/8, 1159-1190.
  • Basbøll, H. (2005). The Phonology of Danish. Oxford University Press, Oxford.
  • Bleses, D., H. Basbøll & W. Vach (2011). Is Danish difficult to acquire? Evidence from Nordic past-tense studies. Language and cognitive processes, volume 6, issue 8, 1193-1231.
  • Bleses, D., W. Vach & M. Slott (2008). Early Vocabulary in Danish and other languages: A CDI-based comparison. Journal of Child Language, (35), 619-650.
  • Grønnum, N. & H. Basbøll (2001). Consonant length, Stød and Morae in Standard Danish. Phonetica (58), 230-253.
  • Heinemann, T. (2010). The question-response system of Danish. Journal of Pragmatics, (43), 2703-2725.
  • Jensen, C. (jaar onbekend). Schwa-assimilation in Danish Synthetic Speech. Department of General and Applied Linguistics, University of Copenhagen, Denmark.
  • Lum, J.A.G. & D. Bleses (2012). Declarative and procedural memory in Danish speaking children with specific language impairment. Journal of communication disorders, Volume 45, Issue 1, 46-58.
  • Mey, J.L. (1993). Pragmatics: an introduction. Blackwell Publishing, Oxford.
  • Slott, M., Vach, W., & D. Bleses (2008). Evaluation of methods used to assess language development of 3-4-year-old Danish children. Logopedics Phoniatrics Vocology, 33(4), 190-207.
  • Verstraete, J. C. (2005). Two types of coordination in clause combining. Lingua, 115(4), 611-626.