Door Charlotte Mayenburg, Willemijn de Graaf en Carmen de Lange.



Agglutinerend: Een taal is agglutinerend als bijna alle informatie van één zinsdeel aan één woord wordt gekoppeld in de vorm van affixen.


Affix: Een affix is een gebonden morfeem (zie morfeem). Het is een klein, betekenisdragend deeltje dat toegevoegd kan worden aan een woord, maar op zichzelf geen betekenis draagt. Het toevoegen van affixen kan een woord laten veranderen van woordsoort. Zo wordt het werkwoord ‘benader’ door het toevoegen van de suffix ‘-baar’ omgevormd tot een bijvoeglijk naamwoord. Er zijn vier verschillende soorten affix: prefix, suffix, circumfix en infix.


Allofoon: Verschillende realisaties van eenzelfde foneem (zie foneem) worden allofonen genoemd. Het zijn verschillend uitgesproken klanken die we scharen onder eenzelfde klank en die dus ook geen betekenisverschil aan een woord kunnen geven. Een geaspireerde p bijvoorbeeld, de ph, is een allofoon van de p in het Nederlands.
Bron: Fromkin, V., Rodman, R., & Hyams, N. (2007). An introduction to language. Boston, MA: Wadsworth Publishing.


Aspect: Aspect geeft verschillende soorten markeringen in de tijd aan. De classificering verschilt per taal. Het kan gaan om het aangeven van een verschil tussen verleden tijd en tegenwoordige tijd, tussen voltooide en onvoltooide tijd, tussen kortdurende en langdurende acties, enzovoort.


Auditief: Betrekking hebbend op het gehoor.


Case study: Beschrijvende/verklarende analyse van een persoon, groep of gebeurtenis.


Casus/naamval: Een eigenschap van zelfstandige naamwoorden, voornaamwoorden en in sommige talen ook lidwoorden en bijvoeglijke naamwoorden, afhankelijk van de functie in de zin en meestal aangegeven door de morfologische vorm van het woord. Voorbeeld: 'ik' is de nominatieve naamval van het voornaamwoord in eerste persoon enkelvoud, 'mij' is de accusatieve naamval en fungeert als object in een zin.
Bron: Fromkin, V., Rodman, R., & Hyams, N. (2007). An introduction to language. Boston, MA: Wadsworth Publishing.


Circumfix: Affix dat voor- én achteraan een woord gevoegd wordt, zoals bij het voltooid deelwoord ‘ge-deel-d’.


Clitics: Een woord dat structureel afhankelijk is van het woord waar het naast staat en niet op zichzelf kan voorkomen.
Bron: http://grammar.about.com/od/c/g/Clitic.htm [15 januari 2014]


Cluster: Een groep of reeks van bepaalde klanken.
  • Consonantcluster: Opeenvolging van twee of meer consonanten zonder een vocaal ertussen, zoals spr- in het woord springen.
  • Klinkercluster: Opeenvolging van twee of meer vocalen (klinkers) zonder een consonant ertussen, zoals /aiɘ/ in het woord aaien.


Code-switching: Het heen en weer schakelen tussen verschillende talen of dialecten binnen eenzelfde zin of verhaal/gesprek.
Bron: Fromkin, V., Rodman, R., & Hyams, N. (2007). An introduction to language. Boston, MA: Wadsworth Publishing.


Congruentie: (vorm)overeenkomst tussen elementen die syntactisch met elkaar zijn verbonden.
Bron: http://taaladvies.net/taal/advies/popup.php?id=22 [15 januari 2014]


Consonant: Ander woord voor medeklinker, een spraakgeluid geproduceerd met een vernauwing of belemmering in de luchtstroom.


Constituent: Een syntactisch onderdeel in een zinsstructuur. In de zin “de jongen slaat zijn broer” zijn de jongen en zijn broer naamwoordelijke zinsdelen (constituenten).
Bron: Fromkin, V., Rodman, R., & Hyams, N. (2007). An introduction to language. Boston, MA: Wadsworth Publishing.


CVC-structuur: De C staat voor consonant (medeklinker) en de V staat voor vocaal (klinker). Een woord met een CVC-structuur is dus een woord dat bestaat uit een consonant, een vocaal en een consonant, zoals dak, pot, boom, voet, enzovoort.


Diakritisch teken: accent (streepje, punt, haakje en dergelijke) boven, onder of door een letter om de uitspraak preciezer aan te duiden.

Diftong: ook wel tweeklank genoemd, is een klinker waarvan gedurende de articulatie de kwaliteit verandert. Voorbeeld: [au] of [εi]


Ergatief: ergatieve talen hebben een speciale uitgang (naamval) voor het onderwerp in zinnen met een transitief werkwoord. Dat zijn werkwoorden die een lijdend voorwerp vereisen, zoals 'krijgen'.


Etymologie: De geschiedenis/achtergrond/afkomst van een woord.


Flexie: Een vormverandering van een woord naar gelang zijn grammatica. Bij (voor)naamwoorden wordt het ook wel verbuiging genoemd, bij werkwoorden vervoeging.


Fonetiek: (De studie naar) het spraakgeluid, hoe dit wordt geproduceerd (articulatie), hoe het wordt waargenomen (auditieve of perceptuele fonetiek) en de fysische aspecten ervan (akoestische fonetiek).
Bron: Fromkin, V., Rodman, R., & Hyams, N. (2007). An introduction to language. Boston, MA: Wadsworth Publishing.


Fonologie: (De studie naar) de manier waarop spraakgeluid een patroon vormt in een taal. Ook wel het geluidspatroon/-systeem van een taal, met regels voor combinatie en uitspraak van klanken.
Bron: Fromkin, V., Rodman, R., & Hyams, N. (2007). An introduction to language. Boston, MA: Wadsworth Publishing.


Foneem: De kleinste klankeenheid die een verschil aangeeft. In het Nederlands discrimineren we tussen de d en de t, we beschouwen hen als twee verschillende klanken die een woord verschillende betekenis kunnen geven (vergelijk dak met tak). In het Nederlands discrimineren we niet tussen bijvoorbeeld een t die met een h-klank erna wordt uitgesproken en een t die niet met een h-klank erna wordt uitgesproken. In het Nederlands zijn dit allofonen van het zelfde foneem, te weten de t. In andere talen kunnen dit onderscheid en andere onderscheiden wel worden gemaakt.
Bron: Fromkin, V., Rodman, R., & Hyams, N. (2007). An introduction to language. Boston, MA: Wadsworth Publishing.


Functiewoord: grammaticaal woord dat dient om de relatie binnen en tussen zinsdelen uit te drukken, zoals: lidwoorden, voornaamwoorden en voegwoorden.


Geleed – ongeleed: Gelede woorden bestaan uit meerdere betekenisgevende onderdelen. Ongelede woorden zijn niet verder op te delen in kleinere delen met een functie. Een ongeleed woord bestaat uit één vrij morfeem, terwijl een geleed woord uit meerdere morfemen bestaat. Vergelijk anders met dansers, waarbij dansers bestaat uit dans, -er en -s, terwijl anders maar uit één deel bestaat.


Gesloten woordklasse: Woordklasse waar geen nieuwe woorden aan toegevoegd kunnen worden. In het Nederlands zijn voorzetsels, achtervoegsels, voegwoorden, naamwoorden en determinatoren gesloten woordklassen.


Infix: Affix dat (midden) in een woord geplaatst wordt. Het Nederlands kent deze vorm niet.


Inhoudswoord: woorden met een rijke, zelfstandige betekenis, zoals: naamwoorden en werkwoorden.


IPA: International Phonological Alphabet, notatiesysteem voor klanken die in de menselijke spraak voorkomen. Zie ook http://nl.wikipedia.org/wiki/Internationaal_Fonetisch_Alfabet en onze eigen IPA uitlegpagina. Voor medeklinkers wordt er onderscheid gemaakt in de plaats van articulatie, de manier van articulatie en de stemhebbendheid van een klank. Bij een stemhebbende klank trillen de stembanden mee, zoals de /v/, bij een stemloze klank niet, zoals de /f/.
  • Er zijn verschillende plaatsen van articulatie:
    • Bilabiaal: een klank die je maakt door de lippen tegen elkaar aan te doen, zoals de /b/, /p/ en /m/.
    • Labiodentaal: een klank die je maakt door je onderlip tegen je bovenste tanden te doen , zoals de /v/, /f/ en /w/.
    • Interdentaal: een klank die je maakt door je tongpunt tegen je tanden te zetten, zoals de /th/ in het Engels.
    • Alveolair: een klank die je maakt door je tong tegen je bovenste tandkas (voorste deel van je gehemelte) te zetten, zoals de /n/, /l/, /d/, /t/, /r/, /z/ en /s/.
    • Palataal: een klank die je maakt door je tong tegen het harde verhemelte te drukken, zoals /j/ en /nj/.
    • Velair: een klank die je maakt door het achterste gedeelte van je tong tegen het zachte gehemelte te drukken, zoals /g/, /ng/, /k/ en /ch/.
    • Uvulair: een klank die je maakt door het achterste gedeelte van je tong tegen de huig te doen, zoals de Brabantse /r/.
    • Laringaal of glottaal: een klank die je maakt met enkel je adem en stembanden, zoals de /h/.
  • Er zijn ook verschillende manieren van articulatie:
    • Nasaal: een klank die je maakt door de lucht door je neus te laten stromen, zoals de /n/ en de /m/.
    • Plosief: klank die je maakt door de luchtstroom in je mond heel even tegen te houden en daarna weer los te laten, zoals de /p/, /b/, /t/, /d/ en /k/.
    • Fricatief: klank die je maakt door de luchtstroom gedeeltelijk tegen te houden met bijvoorbeeld je lippen of je tong, zodat een ruizig geluid ontstaat, zoals de /v/, /f/, /ch/, /z/ en /s/.
  • Klinkers worden onderscheiden op twee eigenschappen: plaats en openheid. De plaats geeft aan of de klank voor of achterin de mond wordt gemaakt (/i/ versus /u/). Openheid geeft aan of de kaken dicht op elkaar staan of ver van elkaar af (/i/ versus /a/).
Bron: Fromkin, V., Rodman, R., & Hyams, N. (2007). An introduction to language. Boston, MA: Wadsworth Publishing.


Inversie: De woordvolgorde in hoofdzinnen waarbij het onderwerp volgt op de persoonsvorm. De woordvolgorde waarbij het onderwerp op de eerste plaats staat, direct vóór de persoonsvorm wordt dus als de neutrale zinsvolgorde beschouwd. Er zijn twee soorten inversie: wanneer een ander zinsdeel dan het onderwerp op de eerste plaats staat en ja/nee-vragen waarin de persoonsvorm vooropstaat.
Bron: http://taaladvies.net/taal/advies/term/46/ [15 januari 2014]


Klinkerharmonie: Verschijnsel waarbij klinkers "harmoniëren", i.e. bepaalde articulatiekenmerken gemeen hebben. Dit kan tot gevolg hebben dat er verschillende vormen van eenzelfde uitgang bestaan, met dezelfde betekenis (bijv. –de en –da). Dit komt dan omdat de klinker van de uitgang zich aanpast aan de laatste klinker van het woord.


Lexicon: Woordenschat, het aantal woorden dat iemand kent. In het mentaal lexicon staat zowel de vorm (fonologie) als de betekenis (semantiek) en de woordsoort (syntaxis) van een woord opgeslagen.


Lingua franca: Voertaal, taal waarin men communiceert wanneer de gesprekspartners een verschillende moedertaal hebben. Het kan gaan om de moedertaal van één van de sprekers, maar ook om een derde taal die verschilt van beide moedertalen.
Bron: Myers-Scotton, C. (2006). Multiple voices: An introduction to bilingualism. Oxford, Verenigd Koninkrijk: Blackwell Publishing.


Modaliteit: Het begrip modaliteit kan op verschillende manieren gebruikt worden:
  • Modaliteit drukt de verhouding uit tussen de beschrijving en de werkelijkheid, bijvoorbeeld het oordeel van de spreker ten opzichte van de waarschijnlijkheid, mogelijkheid of wenselijkheid van de inhoud van de zin. Modaliteit kan onder meer worden uitgedrukt door middel van bijwoorden, modale hulpwerkwoorden en de verleden tijd. Voorbeelden: (1) Dat hoef ik hopelijk niet nog eens te doen. (2) O, was ik maar bij moeder thuis gebleven!
    Bron: http://taaladvies.net/taal/advies/term/59/modaliteit/
  • Modaliteit betekent ‘manier/wijze’, en kan in deze betekenis duiden op de manier waarop een taal wordt gesproken, namelijk in een orale modaliteit of door middel van gebaren.
  • Modaliteit wordt in de taalkunde soms gebruikt als synoniem van ‘tijdsaanduiding’.


Morfeem: Een morfeem is een woord of deel van een woord dat niet verder opgesplitst kan worden en zelfstandig betekenis draagt. Een vrij morfeem kan op zichzelf staand voorkomen, bijvoorbeeld: man, sta of blij. Een gebonden morfeem kan niet op zichzelf staand voorkomen, maar alleen als deel van een woord, zoals toevoegingen om van een enkelvoud een meervoud te maken, een negatie aan te geven, een werkwoordstijd aan te geven, etcetera (be-, -s, on-, -te, dis-, -baar, etc.). Dit wordt ook wel een affix genoemd (zie affix). Voorbeeld: neem de woorden ‘vrij’ en ‘vrijheid’. Het woord ‘vrij’ kan op zichzelf staand voorkomen, en niet verder opgesplitst worden, en is dus een vrij morfeem. Het achtervoegsel ‘-heid’ heeft betekenis, want met dit suffix krijgt het morfeem ‘vrij’ een andere betekenis. ‘-heid’ kan echter niet zelfstandig voorkomen, en is dus een gebonden morfeem.
Bron: http://anw.inl.nl/article/morfeem; Fromkin, V. (Red.). (2000). Linguistics: An introduction to linguistic theory. Oxford, Verenigd Koninkrijk: Blackwell Publishing.


Morfologie: (De studie naar) de structuur van woorden; het opdelen van woorden in de kleinste betekenisgevende deeltjes. Met het morfologisch systeem worden de verbuigings- en vervoegingsvormen van een taal als geheel bedoeld.


Naamval: Zie casus.


Omissie: Weglating.


Open woordklasse: Woordklasse waar nieuwe woorden aan toegevoegd kunnen worden. In het Nederlands zijn zelfstandig naamwoorden, werkwoorden en bijvoeglijk naamwoorden open woordklassen. Voorbeelden van nieuwe zelfstandig naamwoorden en werkwoorden zijn het internet en googelen.


Orthografie: Spelling, schrijfwijze

Overgeneralisatie: Het gebruik van een klank, woord of vervoegingsregel in contexten waarin deze niet correct is.


Paradigma:
  • Binnen de taalwetenschap:
    • Geheel van fonologische, syntactische of semantische eenheden die op eenzelfde plaats in een woord of zin kunnen voorkomen. Bijvoorbeeld: de p en de b in de woorden ‘pak’ en ‘bak’ behoren tot hetzelfde paradigma.
    • Modelwoord, met name een grammaticaal geheel van verbogen of vervoegde vormen van een woord, dat tot model voor vele andere woorden dienen kan.
  • In algemeen gebruik:
    • Model, voorbeeld.
    • Geheel van wetenschappelijke prestaties van voorgangers dat door onderzoekers op een bepaald gebied op een bepaald moment in de ontwikkeling van een wetenschap als maatgevend wordt beschouwd.
Bron: Van Dale


Partikel: Onverbuigbare woordsoort: voegwoorden, bijwoorden en voorzetsels zijn partikels.



Pragmatiek:

  • Binnen de theoretische taalwetenschap: de studie van betekenis op grond van het gebruik van taal. Onderwerpen van onderzoek zijn voornamelijk implicaturen, presupposities, taalhandelingen en deixis.
  • De gebruiksconventies van een taal, bijvoorbeeld de sociale conventies, die aan een taal verbonden zijn (het bestaan van een beleefdheidsvorm, een gebiedende wijs enzovoort).

Bron: Huang, Y. (2007). Pragmatics. Oxford, Verenigd Koninkrijk: Oxford University Press.


Prefix: Affix dat vooraan een woord wordt geplakt, zoals ‘be-‘ in ‘benaderbaar’.


Pre-linguaal (in pre-linguale fase): Voordat de taalverwerving gestart is.


Prosodie: De klemtoon en de intonatie in de uitspraak van een zin.



Pro-drop: Dit begrip is kort voor pronoun dropping, oftewel het weglaten van voornaamwoorden in een zin. In sommige talen, zoals het Italiaans, is het niet verplicht om een voornaamwoord te gebruiken als in de context duidelijk wordt welke persoon wordt bedoeld. Het subject kan ook worden weggelaten, omdat deze informatie uit de werkwoordvervoeging worden gehaald. Dit wordt ‘null subject’ genoemd.
  • Voorbeeld pro-drop (Italiaans):
    Gianni ha detto che ha telefonato.
    Gianni heeft gezegd dat heeft getelefoneerd.
    'Gianni zei dat hij had gebeld.’
  • Voorbeeld null subject (Italiaans):
    Lavorano molto in questa città.
    Werken veel in de stad. (Werken = derde persoon meervoud)
    ‘Zij werken veel in de stad.’


Receptief - productief: Bij taal-verwervende kinderen zijn er twee aspecten te onderscheiden: enerzijds het leren begrijpen van taal, ook wel receptieve taalontwikkeling genoemd, en anderzijds het zelf praten, de actieve taalontwikkeling of productie.


Reduplicatie: Verdubbeling van een woord of lettergreep. In sommige talen is reduplicatie betekenishebbend: ‘huishuis’ betekent dan het meervoud van huis.


Root infinitive: Het gebruik van een heel werkwoord, terwijl er een vervoegd werkwoord gebruikt had moeten worden. Dit is een verschijnsel dat vaak voorkomt bij kinderen die werkwoordsvervoegingen nog aan het leren zijn.
Voorbeelden: "Mama doen" in plaats van "Mama doet" of "Ik spelen" in plaats van "Ik speel"


Schrift: Manier van schrijven, geheel van bij elkaar horende letter- en cijfertypen, bijvoorbeeld het alfabetisch schrift (Latijn, Cyrillisch, Arabisch) of het beeldschrift (Chinees, Japans).


Semantiek: Wetenschap die de ontwikkeling van de betekenis en het gebruik van woorden en taal bestudeert.


Substitutie: Vervanging/inwisseling. In de context van de taalwetenschap vaak een vervanging door een incorrecte vorm.


Suffix: Affix dat achteraan een woord wordt geplakt, zoals ‘-baar’ in ‘benaderbaar’.


SVO/SOV/VSO: Deze afkortingen hebben betrekking op de volgorde van vaste grammaticale onderdelen in een zin: Subject-Verb-Object, oftewel Onderwerp-Werkwoord-Lijdend Voorwerp.


Syllabe: Lettergreep.


Syntaxis: De structuur van woordgroepen en zinnen; het systeem van regels in de grammatica van een taal dat bepaalt hoe woorden gecombineerd kunnen worden tot betekenisvolle eenheden.
Bron: Fromkin, V. (Red.). (2000). Linguistics: An introduction to linguistic theory. Oxford, Verenigd Koninkrijk: Blackwell Publishing.


T1: Moedertaal, in de context van twee- of meertaligheid. De taal die als eerst geleerd is.


T2: Tweede taal, in de context van twee- of meertaligheid. De taal die na de moedertaal verworven of geleerd is.


Toontaal: Taal waarbij een verschil in toon (toonhoogte of de contour van de toon) een betekenisverschil geeft. Zo kan één woord dus verschillende betekenissen hebben afhankelijk van de toon die gebruikt wordt. Bijvoorbeeld: in het Chinees kent men vier 'tonen' (gelijk, dalend, stijgend en dalend-en-stijgend).
Bron: http://members.chello.nl/m.elburg4/Retorica/fil_t.htm


Transfer: Invloed van de eerste taal op een tweede taal, bijvoorbeeld op het gebied van woordenschat, uitspraak of zinsbouw.


Tweetalig: Iemand is tweetalig als hij/zij twee talen spreekt.
  • Simultaan tweetalig: wanneer een persoon de twee talen tegelijkertijd verworven heeft.
  • Successief of sequentieel tweetalig: wanneer een persoon begonnen is met de verwerving van de tweede taal toen de verwerving van de moedertaal al was begonnen.
Bron: Myers-Scotton, C. (2006). Multiple voices: An introduction to bilingualism. Oxford, Verenigd Koninkrijk: Blackwell Publishing.


Vocaal: Klinker.


Vocalisatie (van medeklinkers):
  • Het aangeven van de bij geschreven consonanten behorende vocalen (zoals in het Hebreeuws).
  • Overgang van een medeklinker in een (half)vocaal.
Bron: Van Dale
εi]grammaticale woorden die dienen om bepaalde betrekkingen tussen zinsdelen uit te drukken