Auteurs van deze pagina: Renske Berckmoes, Charlotte Huigh


0. Praktische informatie voor taalonderzoek



Mogelijke problemen in het Nederlands als gevolg van transfer







Het Nederlands en Afrikaans zijn nauw aan elkaar verwante talen. Aangezien de woordenschat grotendeels van Nederlandse origine is, zullen eventuele problemen die Afrikaanssprekende kinderen kunnen ervaren bij het verwerven van het Nederlands als tweede taal, zich voornamelijk afspelen op het niveau van de morfosyntaxis.
Het Afrikaans is een morfologisch arme taal, waarin bijvoorbeeld, in tegenstelling tot in het Nederlands, de werkwoorden niet vervoegd worden naar persoon of getal. Omissie van de uitgang voor de 3e persoon enkelvoud –t in het Nederlands – een typerend kenmerk van TOS – is bij een Afrikaanssprekend kind goed te verklaren vanuit de moedertaal. Dit hoeft dus zeker geen teken van TOS te zijn.
Ook is er een aantal verschillen in de uitspraak van klinkers en medeklinkers: de sch in het Nederlands wordt bijvoorbeeld in het Afrikaans uitgesproken als sk.
Verder is de constructie van werkwoorden om een gelijktijdige actie uit te drukken (“zitten/liggen/staan te + infinitief”) in het Afrikaans anders dan in het Nederlands. De zin Ik loop te zingen wordt bijvoorbeeld in het Afrikaans Ek loop en sing.
Tot slot verschilt de ontkenning in het Afrikaans van het Nederlands. Dubbele ontkenning is in het standaard Afrikaans verplicht, terwijl dit in het Nederlands tegenwoordig alleen nog voorkomt in enkele (voornamelijk Vlaamse) dialecten. Een voorbeeld van dubbele ontkenning in het Afrikaans is Hulle het nooit gesing nie (Jullie hebben nooit gezongen).
Wanneer een Nederlands lerend Afrikaans kind dergelijke constructies produceert in het Nederlands, kan dit dus gezien worden als transfer; het hoeft niet op een TOS te duiden. In paragraaf 2 is specifieke informatie over het Afrikaans gegeven, waarin de verschillen tussen het Afrikaans en het Nederlands verder uitgewerkt worden.
Mogelijke vragen aan ouders/tolken met betrekking tot specifieke TOS-elementen
Bij het vermoeden van een taalstoornis is, naast de anamnese meertaligheid (Blumenthal & Julien, 1999/2009), een spontane taalanalyse in het Afrikaans aan te bevelen. Wanneer er daadwerkelijk sprake is van een taalontwikkelingsstoornis, zal het kind ook in het Afrikaans TOS-kenmerken vertonen. Er is een aantal typische kenmerken van Afrikaanssprekende kinderen met TOS. Deze zijn te vertalen in een aantal vragen die gesteld kunnen worden aan de ouders van het kind, of aan de tolk. In onderstaande lijst zijn deze vragen te vinden. Wanneer deze bevestigend beantwoord kunnen worden, is er mogelijk sprake van een TOS.
- Gebruikt het kind incorrecte meervoudsmorfemen?- Gebruikt het kind incorrecte passief-constructies?- Maakt het kind fouten in omissies in het algemeen, en in het bijzonder van modale en temporele hulpwerkwoorden en het koppelwerkwoord wees?- Maakt het kind vaak woordvolgordefouten (hoofdzinnen met SOV- en VSO-volgorde)?- Heeft het kind moeite met het gebruik van discourse markers?- Gebruikt het kind vaak verdubbeling van lexicale items?
In paragraaf 4 wordt er een aantal studies besproken over TOS in het Afrikaans. Hierin is meer informatie te vinden over de specifieke fouten die Afrikaanse TOS-kinderen vaak maken.

1. Algemene informatie over het Afrikaans


Classificatie en geschiedenisHet Afrikaans maakt, net als het Nederlands, deel uit van de West-Germaanse subgroep binnen de Indo-Europese taalfamilie. Het Afrikaans is ontstaan uit een groep zeventiende-eeuwse Nederlandse dialecten, nadat in 1652 Nederlandse kolonisten, onder leiding van de V.O.C., de Nederlandse Kaapkolonie stichtten bij Kaap de Goede Hoop. In de beginjaren werd het Afrikaans Kaapsch Hollandsch of Afrikaansch Hollandsch genoemd. Deze taal heeft zich geëvolueerd tot het moderne Afrikaans onder invloed van de inheemse Bantoe-, en Khoi-talen en geïmporteerde uitheemse talen, onder meer het Maleis, Portugees, Frans, Duits en Engels. In 1925 werd het Afrikaans erkend als een van de officiële talen van Zuid-Afrika. De woordenschat is grotendeels van Nederlandse origine. Om die reden zijn het Nederlands en het Afrikaans onderling enigszins verstaanbaar, hoewel het voor Nederlandstaligen gemakkelijker blijkt te zijn om Afrikaans te verstaan dan omgekeerd. De grootste verschillen tussen beide talen bevinden zich op het niveau van spelling, morfologie en grammatica.
germaanse_boom2.jpg
Figuur 1 De Germaanse taalfamilieBron: http://www.mieliestronk.com/afrikaans.html

VerspreidingHet Afrikaans wordt hoofdzakelijk gesproken in Zuid-Afrika en Namibië. Voor 6,9 miljoen Zuid-Afrikanen (13.5% van de totale bevolking), waarvan het merendeel woonachtig is in de westelijke helft van het land (provincies Noord-Kaap en West-Kaap), is het Afrikaans de moedertaal (figuur 2). Volgens de census van 2011 is het Afrikaans daarmee de derde meest gesproken moedertaal in Zuid-Afrika, achter het isiZulu (22.7%) en isiXhosa (16.0%). Het Afrikaans fungeert ook voor 11.4 procent van de inwoners van het buurland Namibië als moedertaal. In Namibië is het Afrikaans tevens de lingua franca tussen de verschillende bevolkingsgroepen. Daarnaast spreken volgens Ethnologue nog ruim tien miljoen mensen het Afrikaans als tweede taal. Het totaal aantal mensen in de wereld dat Afrikaans spreekt is niet bekend, maar naar schatting zijn het er tussen de vijftien en twintig miljoen.
South_Africa_2011_Afrikaans_speakers_proportion_map.svg (1).png
legende afrikaans moedertaal.jpg
Figuur 2 Het deel van de Zuid-Afrikaanse bevolking dat Afrikaans spreekt als moedertaal, volgens de Census 2011
Bron: http://en.wikipedia.org/wiki/File:South_Africa_2011_Afrikaans_speakers_proportion_map.svg

MeertaligheidDe meeste Zuid-Afrikanen zijn meertalig. Het land kent dan ook (sinds 1994) elf officiële talen: Afrikaans, English, isiNdebele, isiXhosa, isiZulu, Sepedi, Sesotho, Setswana, siSwati, TshiVenda en Xitsonga. Moedertaalsprekers van het Afrikaans spreken meestal ook vloeiend Engels, een taal die veelvoorkomend is in het officiële en commerciële leven van Zuid-Afrika.
DialectenHet Afrikaans kent vijf hoofddialecten:- Kaaps Afrikaans (heeft de meeste invloed van het moderne Nederlands ondergaan)
- Oostgrens-Afrikaans
- Oranjerivier-Afrikaans
- Oostkaaps Afrikaans
- Oorlams (ook wel Oorlangs of Oorlans genoemd)

SchriftsysteemHet Afrikaans wordt meestal geschreven in het Latijns alfabet, maar sommige Afrikaanssprekende groepen gebruiken ook het Arabische alfabet. De Arabische variant van het geschreven Afrikaans heet Getoelies.

2. Specifieke informatie over het Afrikaans


Fonologie

De spraakklanken in het Afrikaans zijn vergelijkbaar met die in andere West-Germaanse talen. Toch heeft het Afrikaans duidelijk een andere ‘klankkleur’. Het lezen van een tekst in het Afrikaans is gemakkelijker dan het luisteren naar een spreker van het Afrikaans. Een aantal opvallende fonologische verschillen tussen het Afrikaans en het Nederlands wordt hieronder genoemd.
Medeklinkers in het Afrikaansmedeklinkers afrikaans.jpgBron: aangepast van http://en.wikipedia.org/wiki/Afrikaans_phonology en http://apics-online.info/contributions/29#tipa

Noten:1 [ɲ],[tʃ], [c], [g], [ç] en [w] zijn geen aparte fonemen in het Afrikaans (allofonen)2 [dʒ], [ʃ], [z] en [ʒ] komen alleen voor in leenwoorden

  • Een belangrijk aspect bij de uitspraak van het Afrikaans is dat er weinig stemhebbende medeklinkers zijn. De stemhebbende medeklinkers [v], [z] en [g] worden vervangen door de stemloze [f], [s] en [x]. Bijvoorbeeld: een woord als ver wordt in het Afrikaans uitgesproken als [fɛr].
  • In het Afrikaans wordt de w,in een woord als werk, gerealiseerd door de stemhebbende [v] in plaats van de stemhebbende [ʋ].
  • De medeklinkercluster sch komt niet voor in het gesproken en geschreven Afrikaans. De klank [sx] is in het Afrikaans vervangen door de klank [sk]. Bijvoorbeeld: skool, skilder, miskien.

Klinkers in het Afrikaansklinkers afrikaans.jpgBron:http://www.phil.uu.nl/~kuhlmann/docs/klinkers+medeklinkers.pdf

  • Het Afrikaans is een van de weinige Germaanse talen die nasale klinkers gebruikt. De Afrikaanse /a ɛ ɔ/ worden nasaal uitgesproken wanneer ze gevolgd worden door een n + fricatief. Bijvoorbeeld: mense wordt uitgesproken als [mɛ̃sə] en aangesig als [ã:xəsɪx].
  • De ee, oo en ie worden in het Afrikaans ‘gediftongeerd’ (= een tweeklank van gemaakt, met een schwa-klank aan het einde), wanneer het voor een d of een g voorkomt en er daarna een onbeklemtoonde lettergreep komt. Voor Nederlanders is het daarom moeilijk om het verschil te horen tussen leer (leer) en leër (leger), en tussen maar (voegwoord) en maer (mager).
  • In het Nederlands wordt een onbeklemtoonde e uitgesproken als een /ə/ (schwa); in het Afrikaans wordt zowel een onbeklemtoonde e als een onbeklemtoonde i uitgesproken als een /ə/. Bijvoorbeeld: Afrikaans wordt in het Afrikaans uitgesproken als [afrə’kã:s].
  • Ook is er in het Afrikaans een tendens om de uu en de ui te ontronden, wat inhoudt dat de geronde klinkers meer ‘spleetvormig’ worden uitgesproken, met de mondhoeken omhoog. Bijvoorbeeld: muur wordt uitgesproken als [mi:r], en huis wordt uitgesproken als [hɛis].

Beklemtoning en CV-structuurDe beklemtoning in het Afrikaans is grotendeels vrij onvoorspelbaar, al wordt de hoofdklemtoon normaal gezien op de stam van een woord geplaatst. In het Nederlands daarentegen valt de klemtoon eerder op de eerste lettergreep van een woord (langzaam), tenzij het om een zwak voorvoegsel gaat (belangrijk). Echter, bij samengestelde woorden is het Nederlands ook niet zo voorspelbaar wat betreft het plaatsen van de klemtoon.
Ook de CV-structuur (medeklinker-klinkerstructuur) komt overeen met het Nederlands. Zowel in het Nederlands als in het Afrikaans kunnen bijvoorbeeld drie medeklinkers tussen twee klinkers in zitten, zoals in het woord amptelike (Nederlands: ambtelijke) het geval is.
In het gesproken Afrikaans wordt, net als in het gesproken Nederlands, in een aantal gevallen een svarabhaktivocaal ingevoegd om clusters van medeklinkers op te breken. Deze vocaal, uitgesproken als een sjwa /ə/, wordt ingevoegd om de uitspraak van dergelijke clusters te vergemakkelijken. In het Afrikaans gebeurt dit voornamelijk bij clusters die gevormd zijn door de medeklinkers lm en rm. Een woord als elmboog wordt uitgesproken als [ɛləmboəx], net zoals in het gesproken Nederlands melk wordt uitgesproken als [mɛlək].
De informatie en voorbeelden uit de paragrafen morfologie, syntax en pragmatiek zijn hoofdzakelijk ontleend aan:Syllabusontwikkeling: Afrikaans voor Nederlandstaligen (Nys, 1998) en A Grammar of Afrikaans (Donaldson, 1993)Morfologie
Het Afrikaans kan beschouwd worden als de meest analytische taal binnen de Indo-Europese taalfamilie. Dit betekent dat de taal weinig verbuigingen en vervoegingen kent. Vanwege de morfologische vereenvoudiging lijkt het Afrikaans voor Nederlandstaligen ietwat simplistisch.
Lidwoorden
Het Afrikaans maakt, net als het Engels, geen gebruik van grammaticaal geslacht. Hierdoor is er maar één bepaald lidwoord in het Afrikaans: die. Dit in tegenstelling tot de twee bepaalde lidwoorden in het Nederlands: de en het. Het onbepaalde lidwoord in het Afrikaans is vergelijkbaar met het Nederlandse een: ‘n. Als die beklemtoond wordt (díe) krijgt het de betekenis van het Nederlandse deze/dit en die/dat.
Naamwoordverbuigingen: meervouden, verkleinwoorden en bijvoeglijke naamwoordenIn het Afrikaans wordt het meervoud van zelfstandige naamwoorden gevormd door toevoeging van de uitgang –s, zoals in arms, maats, neefs en kinders, en –e, zoals in berge, boeke, hande en mure. Aan deze voorbeelden is te zien dat de woorden die in het Afrikaans een –s krijgen in het meervoud, niet dezelfde zijn als de woorden die in het Nederlands een –s krijgen. In het Afrikaans zijn er meer uitgangen op –s dan in het Nederlands. Het vormen van meervouden kan dus tot fouten leiden in de NT2-ontwikkeling. Tevens komen in het meervoud een d of g aan het einde van een naamwoord te vervallen, bijv. kruidkruie, oog en vraagvrae.
De standaard verkleinwoorden eindigen in het Afrikaans op –jie en –tjie. Dit is vergelijkbaar met de Nederlandse verkleiningsuitgang –je en –tje. Hiernaast komen ook nog de uitgangen –kie, pie en –ie voor, zoals in vreemdelinkie, probleempie en huisie. Soms kent het Afrikaans een dubbele verkleining, zoals in meisietjie. Er zijn ook Afrikaanse woorden die geen verkleining inhouden, maar wel een dergelijke uitgang hebben, zoals baadjie, wat jas betekent.
Net als in het Nederlands worden attributief gebruikte bijvoeglijke naamwoorden in het Afrikaans meestal verbogen. Veel bijvoeglijke naamwoorden krijgen een buigings e. Ook deze verbuiging gaat vaak gepaard met het vervallen van de medeklinker wanneer deze tussen twee klinkers in staat, zoals in hooghoë. Er zijn echter ook veel bijvoeglijke naamwoorden die anders verbogen worden. Het verbuigen van bijvoeglijke naamwoorden blijkt één van de moeilijkste dingen te zijn in de grammatica van het Afrikaans. Voor meer informatie over dit onderwerp, verwijzen wij u naar het boek A Grammar of Afrikaans (hoofdstuk 6) van Donaldson (1993).
Persoonlijke voornaamwoordenpersoonlijke voornaamwoorden afrikaans.jpgPersonen kunnen in het Afrikaans ook een meervoud hebben, bijvoorbeeld Japie-hulle, in de betekenis van ‘Japie & co’.
WerkwoordvervoegingenWerkwoorden worden in het Afrikaans niet vervoegd naar persoon of getal, in tegenstelling tot in het Nederlands. De infinitief en de onvoltooid tegenwoordige tijd hebben zodoende altijd dezelfde vorm. ott afrikaans 1.jpgEr zijn drie uitzonderingen op deze regel: de werkwoorden wees en (in het Nederlands respectievelijk zijn en hebben) en werkwoorden die een voorvoegsel hebben.tegenwoordige tijd afrikaans 2.jpg
Slechts enkele Afrikaanse werkwoorden hebben nog een onvoltooid verledentijdsvorm (o.v.t.). In het Afrikaans wordt de verleden tijd dus op een andere manier uitgedrukt. In veel gevallen wordt hiervoor de voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.) gebruikt, standaard gevormd door het + de infinitief met het prefix ge−. Het werkwoord wees wordt bij uitzondering soms vervoegd met is i.p.v. het. Net als in het Nederlands krijgen de werkwoorden die al een andere, onbeklemtoonde prefix hebben, zoals aan−, her− of ont−, niet nog eens het prefix ge− voor de infinitief. In combinatie met een tijdsbepaling, zoals toe of gister, wordt soms ook wel gewoon de tegenwoordige tijd gebruikt.vt afrikaans.jpgDe modale werkwoorden sal, kan, moet en wil, en de werkwoorden wees en hebben nog wel een vorm voor de onvoltooid verleden tijd, respectievelijk sou, kon, moes, wou, was (1) en had. Incidenteel komen ook nog de volgende vormen voor: dog (= dacht), wis en mog (2).
(1) Die klim was vir my te swaar(2) Ek onthou ek mog opbly om te kyk
In tegenstelling tot het Nederlands, kent het Afrikaans vrijwel géén sterke werkwoorden meer; bijna alle werkwoorden zijn zwak. Een lastig werkwoord om te vervoegen is voor NT2-leerders bijvoorbeeld het werkwoord verliezen. De stam van het Afrikaanse werkwoord is voor Nederlandstaligen verrassend.vt afrikaans 2.jpgDe voltooid verleden tijd bestaat in het Afrikaans niet zoals wij die in het Nederlands kennen. De Nederlandse voltooid verleden tijd wordt in het Afrikaans vaak uitgedrukt middels het woordje klaar (3). Soms hoort men ook dit was gewees.
(3) Ek het dit al klaar gedoen (= Ik had dit al gedaan)
De gebiedende wijs wordt in het Afrikaans op dezelfde manier gevormd als in het Nederlands. Alleen bij een ‘negatieve gebiedende wijs’ voegt men standaard moenie toe, zie (4):
(4) Moenie huil nie
Kortom, de verschillen tussen de twee talen op morfologisch gebied kunnen voor sprekers van het Afrikaans die het Nederlands als tweede taal verwerven, zorgen voor veel verbuigings- en vervoegingsfouten, aangezien met name de vervoeging van werkwoorden in het Nederlands ingewikkelder is dan in het Afrikaans.
Syntaxis
WoordvolgordeDe normale woordvolgorde in het Afrikaans is, net als in het Nederlands, Subject-Verb-Object; met andere woorden, het werkwoord staat altijd op de tweede positie in de zin. Daarom vindt er, net als in het Nederlands, inversie plaats van het onderwerp en de persoonsvorm als een zin bijvoorbeeld met een bijwoord of een bijwoordelijke uitdrukking begint. Zo blijft in (5) en in (6) het werkwoord op de tweede positie staan:
(5) Hy is siek vandag(6) Vandag is hy siek
Het volledige werkwoord, de infinitief, kan in een zin met andere finiete vormen (bijv. een koppelwerkwoord of een persoonsvorm) losstaan van deze vormen, maar dat is niet verplicht. Zowel (7) als (8) zijn niet ongrammaticaal in het Afrikaans:
(7) Toe bly sit die kinders onder die boom(8) Toe bly die kinders onder die boom sit
Bij twijfel wordt er de voorkeur gegeven aan de laatste (gescheiden) optie, omdat deze optie namelijk altijd grammaticaal correct is.
In samengestelde zinnen staan, net als in het Nederlands, de werkwoordelijke vormen achteraan in de bijzin, maar in het Afrikaans is er maar één volgorde mogelijk, zie (9). Het hulpwerkwoord het staat altijd op de laatste plaats. De hulpwerkwoorden kan, wil en sal vormen een uitzondering op de regel; in deze gevallen neemt de infinitief de laatste plaats in de bijzin in (10). Staat de bijzin in de lijdende vorm dan is de volgorde als volgt: eerst het voltooid deelwoord, daarna het hulpwerkwoord en ten slotte de passieve vorm, zie (11):
(9) Ek het vir hom vertal wat jy gedoen het*Ek het vir hom vertal wat jy het gedoen(10) …waardeur hulle ’n aantal voordele kon eis(11) Ek dink dat dit gedoen sal moet word
In het Afrikaans wordt het onderschikkend voegwoord dat wel eens weggelaten, met het gevolg dat er bijzinnen ontstaan met een hoofdzinvolgorde, zie (12):
(12) Ek dag jy kom nie meer nie
De constructie van werkwoorden om een gelijktijdige actie uit te drukken (“zitten/liggen/staan te + infinitief”) ziet er in het Afrikaans anders uit dan in het Nederlands, zie (13+14):
(13) Ek loop en sing (= Ik loop te zingen)(14) Ek sit en wag (= Ik zit te wachten)
OntkenningEén van de meest opvallende kenmerken in de syntaxis van het Afrikaans is de dubbele ontkenning, die in het Nederlands tegenwoordig alleen nog voorkomt in enkele (voornamelijk Vlaamse) dialecten. Waar dubbele ontkenning in het Nederlands dus voornamelijk voorkomt in de spreektaal, en zeker niet verplicht is, is het gebruik ervan in het standaard Afrikaans verplicht, in zowel de spreek- als de schrijftaal. In (15) en (16) worden voorbeelden gegeven van een dubbele ontkenning in het Afrikaans:
(15) Hulle het nooit gesing nie(16) Hy het geen boeke gelees nie
Het fenomeen van dubbele ontkenning is vrij ingewikkeld, aangezien er veel regels aan vastzitten. Als een zin uit alleen een onderwerp en een persoonsvorm bestaat, volstaat één zogenaamd negatie-element: ek weet nie. Dit geldt ook wanneer er een lijdend voorwerp aan wordt toegevoegd: ek ken hom nie. Wanneer er echter een negatie-element midden in de zin staat, moet het standaard negatie-element nie ook nog aan het eind van de zin worden toegevoegd. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer het onderwerp van de zin een negatie-element is, zoals in (17), of wanneer een hulpwerkwoord wordt toegevoegd aan de zin, zoals in (18):
(17) Niemand kom nie(18) Hy sal nie kom nie
Het negatie-element aan het einde van een zin is dus altijd nie, die verplicht is in een ontkennende zin in het Afrikaans. Het negatie-element in het midden van een zin wordt in de spreektaal nog wel eens weggelaten. Naast nie zijn de andere Afrikaanse negatie-elementen die in een zin kunnen voorkomen vergelijkbaar met de negatie-elementen die in het Nederlands voorkomen, zoals nooit, nêrens (nergens), niks, niemand.
Pragmatiek
Vele pragmatische aspecten in het Afrikaans zijn beïnvloed door de Engelse etiquette. Beleefdheid en aanspreekvormen zijn echter een uitzondering hierop. Het onderscheid tussen jy en u is in het Afrikaans namelijk niet hetzelfde zoals wij gewend zijn in het Nederlands (jij voor het aanspreken van een gelijke en u als beleefdheidsvorm). In het Afrikaans wordt u nauwelijks gebruikt, zeker niet buiten de stedelijke gebieden; er zal eerder een ‘derde persoonsvorm’ worden gebruikt, bijvoorbeeld Pa, Ma, Oom, Tannie, Meneer, Mevrou, Dokter, Dominee of Professor (met hoofdletter in geschreven vorm). Onder hoogopgeleide Afrikaanssprekenden en in de media wordt deze derde persoonsvorm tegenwoordig vervangen door het gebruik van u.
Wanneer een spreker van het Afrikaans zich in een situatie bevindt waarin hij het gebruik van een derde persoonsvorm passend vindt, is hij meestal erg consistent in het gebruik van deze vorm. Het kan gebruikt worden op de plaats van het voornaamwoord als onderwerp (19) of lijdend voorwerp (20), maar ook op de plaats van het bezittelijk (19) of wederkerend voornaamwoord (21):
(19) Sal Ma (= jy) my Ma se (= jou) kar leen?(20) Ek kan Ma (= jou) ongelukkig nie nou help nie(21) Ma (=jy) moenie Ma daaroor bekommer nie
Het gebeurt overigens tegenwoordig wel steeds meer dat een persoon zijn of haar ouders met jy / jou aanspreekt in plaats van met Ma/Pa.
Traditioneel gezien spreken kinderen, volwassenen, die niet hun directe familie zijn, aan met Oom of Tannie. Voor volwassenen geldt dit ook bij het aanspreken van oudere personen, hoewel ze dan ook kunnen kiezen voor het gebruik van Meneer of Mevrou. Deze laatste twee aanspreekvormen kunnen echter als te onpersoonlijk en informeel gezien worden, in tegenstelling tot Oom en Tannie. Wat steeds vaker voorkomt, is dat men – nadat de vreemde aangesproken is met Meneer of Mevrou – in het vervolg van het gesprek overgaat op jy / jou, zoals te zien is in zin (22+23).
(22) Mevrou, kan ek jou help?(23) Aangename kennis, mnr. Nel. Jy het ’n baie mooi plaas
In Nederland is deze combinatie, een formele aanspreekvorm direct gevolgd door jij, ondenkbaar. In het Afrikaans is dit goed mogelijk, omdat u nog niet voor iedereen een gebruikelijke vorm is. In de zakenwereld komt Dame steeds meer voor, maar dan wel gecombineerd met de u-vorm.

3. Verwervingsfases van bovenstaande domeinen in het Afrikaans


Helaas is er tot nog toe geen literatuur gevonden over de verwervingsvolgorde van bovenstaande domeinen in het Afrikaans als eerste taal. Veel onderzoek is gericht op de meertalige kindertaalverwerving in Zuid-Afrika. Na de afschaffing van de apartheid in Zuid-Afrika is de positie van het Afrikaans veranderd. Het Afrikaans werd één van de elf officiële, gelijkwaarde talen. In de praktijk houdt het in dat in het maatschappelijk leven het Engels algemeen gebruikt wordt. Dit is vermoedelijk een van de redenen waarom er enkel wetenschappelijke literatuur te vinden is over de verwerving van het Engels als tweede taal bij Afrikaanssprekende kinderen.

Op basis van de herkomst van het Afrikaans en de vele overeenkomsten met de Nederlandse taal, is te verwachten dat de moedertaalverwerving van het Afrikaans grotendeels hetzelfde verloopt als van het Nederlands (zie schema).


4. Onderzoek naar taalontwikkelingsstoornissen in het Afrikaans


De Zuid-Afrikaanse taalkundige Frenette Southwood doet onderzoek naar TOS bij Afrikaanssprekende kinderen. Zij is verbonden aan Universiteit Stellenbosch, maar is in 2007 in Nederland (aan de Radboud Universiteit Nijmegen) op dit onderwerp gepromoveerd. Hier volgen, in het kort, de conclusies/relevante uitkomsten van een aantal onderzoeken m.b.t. de kenmerken van TOS in het Afrikaans. Alle onderstaande artikelen, inclusief het gehele proefschrift van Frenette Southwood, zijn full-text beschikbaar en vrij toegankelijk (zie literatuurverwijzingen).
The comprehension and production of plural forms of nouns by 6-year-old Afrikaans-speaking children with and without specific language impairment (Southwood, 2006)Ten opzichte van de normaal ontwikkelende kinderen, presteerden de kinderen met TOS slechter op:- de taken waarbij het begrip van regelmatige meervoudsvormen (−s) bij echte woorden en het begrip van onregelmatige meervoudsvormen bij nonsenswoorden getest werd;- de taken waarbij de productie van regelmatige meervoudsvormen bij nonsenswoorden en de productie van onregelmatige meervoudsvormen bij echte én nonsenswoorden getest werd.Tevens bleken sommige geselecteerde maten om het begrip en de productie van meervoudsvormen te meten, sensitief genoeg te zijn om te kunnen differentiëren tussen 6-jarige Afrikaansssprekende kinderen met en zonder TOS.
On accounting for problems demonstrated by children with SLI in the interpretation and production of passive construction (Southwood & Oosthuizen, 2008)Eerder onderzoek, bij onder meer Engels-, Japans-, Grieks- en Russischtalige kinderen, heeft aangetoond dat kinderen met TOS problemen hebben met het interpreteren en produceren van passieve constructies. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat ook Afrikaanssprekende kinderen met TOS hier moeite mee hebben. De 6-jarige kinderen met TOS presteerden slechter op het interpreteren van passieve constructies* dan hun normaal ontwikkelende leeftijdsgenoten, maar vergelijkbaar met normaal ontwikkelende kinderen van 3 en 4 jaar. Wat betreft het produceren van passieve vormen (gemeten m.b.v. een sentence completion task), lagen de prestaties van de TOS-kinderen ongeveer tussen die van de 3- en 4-jarige normaal ontwikkelende kinderen in. De sterke voorkeur van de 3-jarige kinderen voor het gebruik van de actieve vorm is ook terug te zien bij de TOS-kinderen, maar dan in iets mindere mate.*Voor de vorming van een passieve zin wordt in het Afrikaans enkel de persoonsvorm word en is gebruikt: word voor een zin in de tegenwoordige tijd, en is voor een zin in de verleden tijd.
Linguistic characteristics of specific language impairment in Afrikaans (Southwood & Van Hout, 2009)Leidt TOS, net als in vele andere talen, ook in het Afrikaans tot problemen met de woordvolgorde en grammaticale morfologie? In het algemeen presteerden de 6-jarige Afrikaanssprekende kinderen met TOS vergelijkbaar met de 4-jarige normaal ontwikkelende kinderen, en slechter dan de 6-jarige normaal ontwikkelende kinderen op experimentele taken waarbij het begrip en de productie van grammaticale morfemen (m.b.t. de kenmerken getal, casus en tijd) getest werd. Wat betreft de productie van deze grammaticale morfemen in spontane taal, presteerden de twee normaal ontwikkelende groepen vergelijkbaar en beter dan de TOS-kinderen. Eenzelfde patroon is ook gevonden voor andere taalfouten in de spontane taalanalyses. Deze resultaten laten zien dat TOS in het Afrikaans inderdaad tot problemen leidt met de grammaticale morfologie. Echter, in tegenstelling tot de algemene trend dat kinderen met TOS meer problemen hebben met de grammaticale morfologie van werkwoorden dan met de morfologie van naamwoorden, hebben Afrikaanssprekende kinderen met TOS met beide evenveel problemen.De spontane taaldata toonden tevens aan dat alle drie de groepen zinnen produceerden met een ongrammaticale woordvolgorde, maar de TOS-groep maakte wel meer verschillende fouten ten opzichte van de twee groepen normaal ontwikkelende kinderen. Twee woordvolgordefouten werden uitsluitend door de TOS-kinderen gemaakt, te weten: hoofdzinnen met een subject-object-verb volgorde en hoofdzinnen met een verb-subject-object volgorde.
The production of tense morphology by Afrikaans-speaking children with and without SLI (Southwood & Van Hout, 2010)Gezien het feit dat de tegenwoordige tijd van hoofdwerkwoorden geen zichtbare grammaticale morfologie vereist, verwachtten de onderzoekers dat het gebruik hiervan ook geen probleem zou vormen voor kinderen met TOS. Bij het gebruik van de verleden tijd verwachtten de onderzoekers wel dat de TOS-kinderen meer en een breder scala aan fouten zouden laten zien, dan de normaal ontwikkelende kinderen. Deze hypotheses zijn in dit onderzoek inderdaad bevestigd. De werkwoordsvormen in de tegenwoordige tijd werden zowel door de TOS-kinderen als de twee groepen normaal ontwikkelende kinderen met eenzelfde hoge mate van accuraatheid gebruikt. In spontane spraak maakten de TOS-kinderen grotendeels dezelfde soorten fouten in het gebruik van de verleden tijd als de 4-jarige kinderen. De meest voorkomende fouten betroffen omissies van modale en temporele hulpwerkwoorden en het koppelwerkwoord wees. Sommige fouten waren uniek voor de groep TOS-kinderen, waaronder de omissie van het werkwoord het en de verdubbeling van het temporele hulpwerkwoord het.
The use of discourse markers by Afrikaans-speaking preschoolers with and without specific language impairment (Southwood, Carinus & Engelbrecht, 2010)De meest voorkomende discourse markers (DM's) in de taal van zowel de 4- en 6-jarige normaal ontwikkelende kinderen als de 6-jarige kinderen met TOS, bleken maar, en en dan te zijn. Wat betreft het aantal DM’s gebruikte de TOS-groep meer en een breder scala aan DM’s dan de 4-jarige kinderen, maar minder en een smaller scala aan DM’s dan hun normaal ontwikkelende leeftijdsgenoten. In de taal van de TOS-groep kwamen DM’s voor die ook gebruikt werden door de normaal ontwikkelende kinderen, maar sommige DM’s waren uniek voor de TOS-groep, zoals jy weet, nou-ja, jip, later, môre, na, o okei en reg. De kinderen met TOS vertoonden dus wat betreft het gebruik van DM’s niet alleen een vertraagde ontwikkeling, maar vertoonden ook tekenen van een verschillende taalontwikkeling.
Specific language impairment as a syntax-phonology interface problem: evidence from Afrikaans (Corver, Southwood & Van Hout, 2012)In dit artikel wordt ten slotte nog een interessant kenmerk van TOS in het Afrikaans besproken, namelijk verdubbeling. Verdubbeling houdt hier in: de overrepresentatie van een lexicaal item, zoals een werkwoord (24), voornaamwoord (25 + 26), negatie (27) of verkleinvorm (28).
(24) nou reën hulle nat reën(25) ons ma leer ons saam ons(26) hierso is jou klere jou(27) ja maar nie so nie my pa nie(28) 'n rooietjie hoedjie
Dit fenomeen is nog niet eerder gerapporteerd in onderzoeken naar TOS-kenmerken in andere Germaanse talen, zoals Nederlands of Duits. In het Afrikaans blijkt het een kenmerk te zijn dat bijna uitsluitend voorkomt in de taal van kinderen met TOS.
Voorbeelduitingen
Onderstaand enkele voorbeelden van fouten die Afrikaanssprekende kinderen met een TOS maakten. Links de uiting, rechts de doeluiting. Gemiddelde leeftijd van 6.4.png
5.png
Bron: Southwood (2007)


5. Samenvatting en literatuurverwijzingen


In dit artikel zijn de verschillen tussen het Nederlands en het Afrikaans uitgewerkt. Ook is beschreven tot welke transferfouten deze kunnen leiden bij Afrikaanse kinderen die Nederlands leren. Verder zijn er een aantal kenmerken van TOS in het Afrikaans besproken.
In onderstaande literatuurlijst zijn de bronnen te vinden die gebruikt zijn bij het samenstellen van deze pagina. Wanneer u meer te weten wilt komen over algemene of specifieke informatie over het Afrikaans, of over taalontwikkelingsstoornissen in deze taal, is het aan te raden deze literatuur te raadplegen.

Literatuur
Algemene informatie over het Afrikaans

Specifieke informatie over het Afrikaans

Onderzoek naar taalontwikkelingsstoornissen in het Afrikaans

  • Corver, N., Southwood, F., & Van Hout, R. (2012). Specific language impairment as a syntax-phonology (PF) interface problem: evidence from Afrikaans. Stellenbosch Papers in Linguistics, 41, 71-89. doi: 10.5774/41-0-134
  • Southwood, F. (2007). Specific language impairment in Afrikaans. Providing a Minimalist account for the problems with grammatical features and word order [Proefschrift, Radboud Universiteit Nijmegen, Nederland]. Ontleend aan http://www.lotpublications.nl/publish/articles/002526/bookpart.pdf
  • Southwood, F. (2006). The comprehension and production of plural forms of nouns by 6-year-old Afrikaans-speaking children with and without specific language impairment. Per Linguam, 22, 29-39.doi: 10.5785/22-2-65
  • Southwood, F., Carinus, M., & Engelbrecht, S. (2010). The use of discourse markers by Afrikaans-speaking preschoolers with and without specific language impairment. Stellenbosch Papers in Linguistics Plus, 40, 79-94. doi: 10.5842/40-0-6
  • Southwood, F., & Oosthuizen, J. (2008). On accounting for problems demonstrated by children with SLI in the interpretation and production of passive construction. Stellenbosch Papers in Linguistics, 36, 1-13. Ontleend aan http://sun025.sun.ac.za/portal/page/portal/Arts/Departments/linguistics/documents/90217C7BA6321179E04400144F47F004
  • Southwood, F., & Van Hout, R. (2010). The production of tense morphology by Afrikaans-speaking children with and without SLI. Journal of Speech, Language, and Hearing Research, 53, 394-413. doi: 10.1044/1092-4388(2009/07-0286)
  • Southwood, F., & Van Hout, R. (2009). Linguistic characteristics of specific language impairment in Afrikaans. Stellenbosch Papers in Linguistics Plus, 37, 103-142. Ontleend aan http://sun025.sun.ac.za/portal/page/portal/Arts/Departments/linguistics/documents/90217C7BA6361179E04400144F47F004
dat kinderen met TOS problemen hebben met het interpreteren en produceren van passieve constructies. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat ook Afrikaanssprekende kinderen met TOS hier moeite mee hebben.